Gezondheidsprogramma's, waar gaat het allemaal over? Picture

English Czech German Danish Italian French Dutch Norwegian Swedish Taiwanese

[Vertaald door Sabine van de Ven, fierce-creatures.]

Door Ulrika Olsson

Gezondheidsprogramma's, waar gaat het allemaal over?

De meeste fokkers werken in meer of mindere mate aan de gezondheid van de katten die zij fokken. Lang niet allemaal weten zij echter wat een gezondheidsprogramma is en hoe dat zou moeten worden ontworpen om de beste resultaten te verkrijgen. Door genetici zijn er al studies zijn gedaan naar wat de beste manier is om gezondheidsprogramma's te ontwerpen om tot de beste resultaten te komen. Deze informatie heeft de internationale fokkersgemeenschap echter nog niet echt goed bereikt. Veel fokkers baseren hun activiteiten wat betreft gezondheid nog steeds op gokwerk en hun eigen aannames over wat zou moeten werken om de frequentie van de ziekte te verlagen.

Dit artikel geeft enige informatie over wat een gezondheidsprogramma is, hoe het zou moeten worden ontworpen en waarom.

Wat is een gezondheidsprogramma en wat is het niet

Een gezondheidsprogramma is een georganiseerde manier voor fokkers om samen te werken teneinde de genetische gezondheid van het ras waarmee zij werken, te verbeteren.

Veelvoorkomende misverstanden:

  • Een gezondheidsprogramma houdt niet alleen in dat je je eigen katten test en dat je kittenkopers informeert.
  • Een gezondheidsprogramma is geen wetenschappelijk onderzoeksproject om de problemen van fokkers op te lossen.

Een gezondheidsprogramma bestaat meestal uit het testen van elke individuele kat, én enig onderzoek door genetici of dierenartsen. Het zwaartepunt ligt echter niet alleen maar op het leren over ziektes en afwijkingen, maar bij het op actieve wijze verbeteren van de gezondheid van de katten. Het eindresultaat zou een verlaagde frequentie van de ziekte moeten zijn, gebaseerd op feiten, niet een wetenschappelijk rapport of een aanname dat de katten nu vermoedelijk gezonder zijn (al kan dat een bijproduct zijn).

Waarom samenwerken?

Om in je eentje een gezondheidsprogramma voor de lange termijn te hebben, heb je per generatie een absoluut minimum van ongeveer 35 katers en 100 poezen nodig, anders zullen je katten problemen krijgen door inteelt. Onnodig te zeggen dat een dergelijke hoeveelheid katten veel teveel is voor een individuele fokker! Dit betekent dat we samen moeten werken. Voor je gezondheidsprogramma ben je afhankelijk van wat andere fokkers doen, aangezien we vroeg of laat allemaal katten van andere fokkers moeten kopen, of onze katten moeten laten dekken door katten van andere fokkers. En die fokkers hebben op hun beurt hun katten ook weer gekocht of laten dekken door katten van wéér andere fokkers. Of we het leuk vinden of niet, we zitten allemaal in hetzelfde schuitje!

Helaas wordt samenwerking niet aangemoedigd door de sterke focus op show en showresultaten in de kattenliefhebberij. Het stimuleert zelfs het tegenovergestelde: competitie tussen fokkers van hetzelfde ras. Dit moeten we tegengaan voor de bestwil van de katten waar we allemaal van houden. We moeten ons minder op shows concentreren, en meer op de kat zélf, het gezelschapsdier, ons harige familielid.

Wanneer beginnen met een gezondheidsprogramma?

Het is belangrijk om geen gezondheidsprogramma te starten voor kleinere problemen, maar alleen voor grote problemen binnen het ras. Bijvoorbeeld, als de afwijking iets is waar de katten op geen enkele wijze last van hebben, dan is het maken van een gezondheidsprogramma een veel te zwaar middel. Of stel bijvoorbeeld dat maar een klein aantal katten een erfelijke nochtans ernstige ziekte heeft. Dan kan het toch beter zijn om het probleem van alleen die paar katten en hun familieleden aan te pakken, dan om elke kat van dat ras in een gezondheidsprogramma te betrekken. Anders kan het zijn dat de fokkers de meer ernstige en/of veelvoorkomende gezondheidsproblemen uit het oog verliezen.

Hoe zet je een gezondheidsprogramma op?

Enkele zweedse genetici, deels werkzaam voor de Zweedse Kennel Club, deels werkzaam voor de Landbouwuniversiteit, werken al tientallen jaren met gezondheidsprogramma's voor honden. Daarbij hebben zij verschillende gezondheidsprogramma's uit andere landen bestudeerd. Zij hebben heel wat geleerd over de onderdelen in een gezondheidsprogramma die wél goede resultaten geven, en de onderdelen die niet werken of zelfs de resultaten verpesten. Hier zijn enkele resultaten van hun onderzoek en ervaring:

  • Informatie.
    Als mensen snel iets willen doen voor de gezondheid van hun katten, zijn ze soms snel geneigd om strenge regels op te stellen voor fokkers. Ervaring leert dat dat niet de beste manier is om de gezondheid van de katten te verbeteren! Een goed gezondheidsprogramma zou gebaseerd moeten zijn op informatie en educatie. Dat kost meer tijd en moeite dan alleen maar regels opstellen, maar het is de beste manier om tot een goed resultaat te komen.
  • Vastgestelde identiteit.
    Het gezondheidsprogramma moet gedaan worden met katten waarvan de identiteit te herleiden is, bijvoorbeeld door een microchip of een tatoeage. Deze identiteit moet door een dierenarts worden gecontroleerd en vastgelegd op het testformulier. De duidelijkste reden daarvoor is uiteraard het voorkomen van valsspelen. Dat komt gelukkig niet vaak voor, maar het gebeurt wel. En er zijn niet veel valsspelers voor nodig om het volledige programma in twijfel te laten trekken door de fokkers. Hoe kunnen we weten wie er vals speelt? Kunnen we op dit resultaat vertrouwen? En dat resultaat? Uiteindelijk heeft niemand meer vertrouwen in het programma. Om deze reden moet de identiteit van de katten in het gezondheidsprogramma herleidbaar zijn.
  • Openbare registers.
    De geregistreerde resultaten van het gezondheidsprogramma moeten voor iedereen zichtbaar zijn. Dit is iets waar heel wat fokkers helaas problemen mee hebben, maar het is erg belangrijk.

    Veel fokkers denken dat het genoeg is als zij "degenen die het moeten weten" op de hoogte houden; de eigenaren van naaste verwanten van de kat met de aandoening. Dat klinkt redelijk, maar feit blijft dat veel meer fokkers dan degenen die de naaste verwanten bezitten, erbij gebaat zouden zijn als zij wisten van zowel goede als slechte resultaten. Je zou graag willen weten of niet alleen de ouders, grootouders en directe nakomelingen goede of slechte resultaten hebben, maar je zou ook willen weten of ooms en tantes gezond zijn, of neven en nichten of de zuster van grootvader in orde zijn etc. Niet dat een enkel resultaat van een verre verwant een groot verschil zou maken, maar veel van dit soort stukjes informatie samen, geven je een veel completer beeld van de risico's en voordelen voor je eigen kat.

    Het zou erg tijdrovend zijn om de gezondheidsinformatie voor elke verwante kat op te sporen. Je moet er dan ook op vertrouwen dat elke eigenaar je de waarheid vertelt. De meeste doen dat, maar misschien niet allemaal? En als dat het geval is, hoe weet je dan wie de waarheid vertelt en wie niet? Sommige fokkers zullen het niet waarderen als je ernaar vraagt, en dat kan jou weer afschrikken om het een volgende keer weer te vragen.

    Genetici zijn tot de conclusie gekomen dat dit één van de belangrijkste redenen is dat het register van de gezondheidsprogramma's openbaar moet zijn om succesvol te kunnen zijn.

    Fokkers zijn vaak bang dat een openbaar register kwaadsprekerij over hun en andermans katten zal verergeren. Dit gebeurt echter over het algemeen niet. Integendeel, als de harde feiten voor iedereen te zien zijn, wordt roddelen erover minder interessant.

Het registreren van zowel goede als slechte resultaten

Het register van het gezondheidsprogramma dient zowel de goede als de slechte resultaten te bevatten. Over het algemeen worden in openbare lijsten van testresultaten alleen de goede resultaten weergegeven. Men denkt dat dat alles is wat we hoeven te weten, want de dieren die niet in orde zijn, worden toch gesteriliseerd door de eigenaren. En dan hoeven we het niet meer te weten, want we kunnen er niets meer aan doen.

Dit klopt echter niet helemaal. We moeten het wel weten.

We moeten het weten om de risico's voor verwanten van de aangedane kat beter te kunnen inschatten. Het resultaat en de toestand van de kat is niet altijd per definitie "goed" of "slecht". Er zijn grensgevallen, maar er zijn ook katten die zelf een goed resultaat hebben, maar als zij meerdere aangedane familieleden hebben, kunnen zij nog steeds risico lopen, afhankelijk van de aard van de betreffende ziekte. Als we het bijvoorbeeld over een progressieve ziekte hebben, die bij de geboorte niet meteen zichtbaar is, dan zal de kat pas op oudere leeftijd de eerste symptomen gaan vertonen. Of als het een recessieve ziekte is, dan kan de kat zelf prima in orde zijn, maar de ziekte toch doorgeven aan zijn of haar nakomelingen. Om een een compleet plaatje te krijgen van de risico's van een kat, moeten we ook op de hoogte zijn van de slechte resultaten van verwanten.

Een andere reden waarom we zowel de goede als de slechte resultaten moeten weten, is omdat we in staat moeten zijn de frequentie van aangedane dieren te berekenen. De frequentie van de aangedane katten moeten we om twee redenen weten:

  • Om te kunnen weten of het gezondheidsprogramma tot het beoogde resultaat leidt.

    Dat is niet altijd het geval, ook al denken we dat dat zo zou moeten zijn. Als we de frequenties niet in de gaten houden, kan het zijn dat we veel geld uitgeven aan testen en selecteren, terwijl we er niets mee opschieten!
    Als we de frequenties wel in de gaten houden en we zien dat we niet het gewenste effect krijgen dat we dachten te krijgen, dan kunnen we analyseren waarom het niet werkt, het programma aanpassen en kijken of het wél werkt na deze aanpassingen.
  • Om te kunnen weten hoe streng we kunnen selecteren zonder de genenpool te beschadigen.

    Om een extreem voorbeeld te geven, als 5% van een ras door een ziekte is aangedaan, en 2% zijn grensgevallen, dan zou je kunnen kiezen niet te fokken met de grensgevallen. Anderszijds, als 50% is aangedaan, en 20% zijn grensgevallen, dan zou je zeker moeten overwegen met de grensgevallen te gaan fokken!

    Natuurlijk zal het fokken met grensgevallen de kans op aangedane nakomelingen verhogen, vergeleken met het alleen fokken met katten die niet zijn aangedaan. Maar als je té streng selecteert en daardoor de genenpool beschadigt, dan loop je juist veel grotere risico's. Dit is voor fokkers soms moeilijk te bevatten. De risico's van het fokken met grensgevallen of andere kitten die een hoog risico lopen zijn duidelijk, terwijl de risico's van genenpoolschade veel minder goed waarneembaar zijn. Zal het de genenpool daadwerkelijk beschadigen? Wat gebeurt er dan? Zal dat echt zo erg zijn? Het feit dat genenpoolschade minder goed waarneembaar is, wil niet zeggen dat het risico minder reëel is. Er zijn voorbeelden van té ambitieuze gezondheidsprogramma's die inderdaad zeer snel de aantallen ziektegevallen reduceerden, maar door het verlies in genetische variatie meerdere andere, ergere problemen in het ras kregen. Niet goed!

    Dus het risico van te strenge selectie is reëel en moet erg serieus genomen worden! We zouden nooit meer dan 30% van onze katten uit onze fokprogramma's halen binnen 1 generatie voor 1 specifieke erfelijke ziekte. En dan moeten we natuurlijk weten hoeveel procent van de katten de ziekte hebben!

    Om correcte, of toch redelijk correcte, informatie te krijgen over de frequentie van aangedane katten moeten we ook kijken naar een manier om de testresultaten direct door de dierenartsen in te laten sturen. Als we alleen op de fokkers zelf rekenen om de testresultaten in te sturen, zullen we meer goede dan slechte resultaten krijgen. Het is leuker om goed nieuws te delen dan slecht nieuws! Bovendien, als een fokker onverwacht een slecht resultaat krijgt, kan het zijn dat hij/zij zo geschokt en verdrietig is, dat hij/zij simpelweg vergeet het resultaat in te sturen.

Vergelijkbare resultaten, onafhankelijk van welke dierenarts u bezoekt

Veel gezondheidstesten vereisen een bepaalde hoeveelheid subjectieve interpretatie van de dierenarts. Dit betekent dat de ene dierenarts bepaalde uitkomsten misschien strenger zal beoordelen dan een andere dierenarts. Als deze verschillen groot zijn, zal dat een probleem zijn voor het gezondheidsprogramma.

Eén manier om deze verschillen te reduceren is om dezelfde dierenarts alle testresultaten te laten beoordelen. Misschien dat er een dierenarts kan rondreizen om testen uit te voeren, zodat hij/zij alle testen in een gezondheidsprogramma kan uitvoeren? Of als er een echo gemaakt wordt, dan kan die misschien naar één en dezelfde dierenarts gestuurd worden voor beoordeling voor het gezondheidsprogramma?

Als het niet doenlijk is om dezelfde dierenarts alle testen te laten beoordelen, kunnen we misschien proberen de richtlijnen zo strak mogelijk te maken binnen de groep deelnemende dierenartsen. Op deze manier, met medewerking van alle dierenartsen, kunnen de verschillen ook worden gereduceerd. We moeten echter niet verwachten dat dit probleem binnen 2 weken kan zijn opgelost. Het is lange termijn werk. We moeten het wat tijd geven en niet verwachten dat de beoordelingen meteen 100% gelijk zijn.

Steun geven

Als laatste, als je werkt met een gezondheidsprogramma zal alles makkelijker en fijner werken, als we proberen elkaar te steunen. Een collega met pech die slechte resultaten krijgt, ondanks dat die collega hetzelfde werk als iedereen ter verbetering van het ras doet, mag daar niet de schuld van krijgen. In plaats daarvan moet hij/zij gesteund worden. Zelfs al zijn er misschien fokkers die jou niet steunen, dan zou je toch andere collega-fokkers kunnen blijven steunen. Misschien kun jij, en anderen zoals jij, op termijn de houding in de kattenliefhebberij veranderen en fokkers stimuleren tot samenwerken. We moeten ergens beginnen om dit werkelijkheid te kunnen laten worden. En de beste plaats om te beginnen is, zoals altijd, bij jezelf.