Een overzicht van Feline Enterisch Coronavirus- en Infectieuze Peritonitis Virusinfecties. Picture

English Italian Dutch

[Vertaald door Karin Sandbergen.]

Door Niels C. Pedersen, 1995
Afdeling Medicijnen en Epidemiologie van de
School voor Diergeneeskunde aan de
Universiteit van Californië
Davis, Californië 95616
(Herdrukt met toestemming.)
Printer friendly version

Inleiding

Het doel van deze discussie was om de opgedane kennis over de infectieziekten feline enterisch coronavirus (FECV) en feline infectieuze peritonitis virus (FIPV) opnieuw de revue te laten passeren en deze kennis bij te werken met informatie vergaard tijdens de Internationale Werkgroep ten behoeve van het feline enterisch coronavirus en feline infectieuze peritonitis, die van 12 tot en met 14 augustus 1994 werd gehouden op de universiteit van Californië, Davis. Veel van de informatie die tijdens deze werkgroep werd aangedragen was of volledig nieuw of is, bij benadering, tijdens de laatste drie jaar bekend geworden. In zijn totaliteit gaf deze informatie ons een helderder beeld van deze infectieziekten dan voorheen mogelijk was. We hebben nu een veel beter begrip van de ontwikkeling van feline coronavirussen (FCoV's), de mogelijke oorsprong van FIPV als een mutatie van FECV, de aard van het FECV dragerschap, en onderzoeksmethoden waardoor overlijden door FIPV kan worden verminderd.

Historische standpunten

Achtergrond

Feline infectieuze peritonitis (FIP) werd meer dan 30 jaar geleden al omschreven als een specifieke ziekte-entiteit bij katten (Holzworth, 1963). Gevallen van FIP zijn nadien in vrijwel elk land ter wereld waargenomen. Wolfe en Griesemer (1966) waren de eersten die een virale ziekteoorzaak suggereerden. Zook en collega's (1968) bevestigden dat de ziekteveroorzaker inderdaad een virus was en Ward (1970) stelde vast dat deze tot de familie van de coronavirussen behoorde. De ontdekking dat het FIP virus (FIPV) twee afzonderlijke ziekteverschijnselen veroorzaakte (d.w.z. de natte of acute vorm en de droge of chronische vorm) werd waargenomen door Montali en Strandberg (1972). De sterke antigene gelijkenis van het FIP virus met de coronavirussen bij honden, varkens en mensen werd in 1978 ontdekt (Pedersen et al, 1978).

Oorspronkelijk dacht men dat FIP een ongebruikelijk en fataal ziekteverschijnsel van een enkel, alomvertegenwoordigd coronavirus was (Pedersen, 1976b). Dit werd echter weerlegd door de ontdekking van het feline enterisch coronavirus (FECV) (Pedersen et al, 1981). Hoewel werd aangetoond dat FECV morfologisch en qua antistoffen niet van FIPV te onderscheiden was, werd duidelijk bij inentingsonderzoek van dieren dat FIPV en FECV twee afzonderlijke eenheden waren met betrekking tot biologisch gedrag (Pedersen et al, 1981). Daarom was een enkel virus niet verantwoordelijk voor zowel het grote aantal gezonde, seropositieve katten met coronavirus als het kleine aantal van dieren met FIP. Er werd toen gesuggereerd dat FIPV alleen maar een eenvoudige mutatie van FECV was, die dikwijls voorkwam tijdens het verloop van een FECV besmetting (Pedersen en Floyd, 1985).

Is FIP een recente ziekte bij katten?

FIP werd niet voor de 50'er jaren van de 20ste eeuw waargenomen, zelfs niet door instituten als het Angell Memorial Center in Boston, waar standaard al decennialang zorgvuldige autopsies op alle zieke katten plaatsvinden (Holzworth, 1963). Dit geeft aan dat FIP een relatief nieuwe kattenziekte is of dat FIPV al tijdenlang aanwezig is, maar dat er veranderingen hebben plaatsgevonden in de wijze waarop moderne katten worden grootgebracht en gehouden, en die verantwoordelijk zijn geweest voor besmetting en ziekte.

Bewijs in het voordeel van veranderingen in het milieu als belangrijkste nevenfactor achter de stijgende sterfte door FIP is zeer zeker aanwezig. De periode na de Tweede Wereldoorlog tot heden toont een dramatische verschuiving in de menselijke demografie van een landelijke naar een stedelijke c.q. voorstedelijke omgeving. Tegelijkertijd werd het fokken van katten populair en verving de huiskat de hond steeds meer als het meest gangbare huisdier (er worden heden ten dage meer dan 60 miljoen katten in de Verenigde Staten als huisdier gehouden, vergeleken met minder dan 50 miljoen honden). Met de opkomst van de kat als een belangrijk huisdier, is het aantal gebieden waar grote aantallen katten binnenshuis worden gehouden ook gestegen. Het fokken van raskatten is tegelijkertijd als een paddestoel uit de grond geschoten. Met de toename van de hoeveelheid huiskatten, werden de asielen overspoeld met steeds meer katten. In een poging om zoveel mogelijk ongewenste huiskatten te redden, werden er vele grote, particulier gefinancierde opvanghuizen voor katten geopend (Postorino Reeves, 1995). De wilde kattenpopulatie is ook toegenomen in verhouding tot die van katten met een eigenaar. Kolonies met half tamme, wilde katten zijn thans normaal in veel wijken.

Terminologie van feline coronavirussen

Er zijn twee erkende coronavirussen onder katten, FECV en FIPV. Omdat FECV en FIPV vrijwel dezelfde virussen in zowel genetisch opzicht als op het gebied van antistoffen zijn, wordt de generieke benaming "feline coronavirus" (FCoV) vaak gebruikt om beide ziekteveroorzakers aan te duiden (Addie et al, 1995; Vennema et al, 1995). Al deze verschillende benamingen kunnen voor nogal wat verwarring zorgen. Als regel moet daarom FCoV alleen in die situaties worden gebruikt waar genetische overeenkomsten of biologische verschillen tussen FIPV's en FECV's niet belangrijk zijn of niet kunnen worden geconstateerd. Bijvoorbeeld, omdat serologische testen het verschil tussen FECV's en FIPV's niet kunnen aantonen, is het correcter om te spreken over "FCoV serologie" dan over "FIPV serologie" (Pedersen, 1995). Daartegenover, wanneer men verwijst naar natuurlijke of experimentele besmettingen met deze twee ziekteveroorzakers, is het passender om te spreken over het juiste type virus, zoals FECV (darmslijmvliesontsteking-veroorzakend) of FIPV (FIP-veroorzakend). De termen virulent en avirulente FCoV's worden ook gebruikt als synoniem voor respectievelijk FIPV's en FECV's (Addie et al, 1995).

De relatie tussen FIPV en FECV

FIPV is morfologisch en qua antistoffen niet te onderscheiden van het alom tegenwoordige feline enterisch coronavirus (FECV) (Boyle et al, 1984; Pedersen et al, 1981). Beide virussen bestaan ook naast elkaar in dezelfde omgeving en sporadische gevallen van FIP waren het gevolg van natuurlijke en experimenteel opgewekte uitbraken van besmettingen met FECV in gesloten kattenpopulaties, die verscheidene maanden vrij waren van ziektekiemen (Hickman et al, 1995; Vennema et al, 1995). Dit soort waarnemingen heeft ertoe geleid dat door sommigen de conclusie is getrokken dat FIPV een eenvoudige mutatie van FECV is (Pedersen en Floyd, 1985; Pedersen, 1988, 1991; Vennema et al, 1995). De genomen (een genoom is het geheel van alle genen van de chromosomen van een individu) van FIP-veroorzakende virussen die gescheiden zijn van plaatselijke uitbraken zijn vrijwel identiek geweest aan de endemische (plaatsgebonden) of ziekteverwekkende FECV-stam, maar aanmerkelijk verschillend van FECV's and FIPV's afgezonderd van geografisch herkenbare gebieden (Vennema et al, 1995; Pedersen en Vennema, Universiteit van Californië, Davis, persoonlijke waarneming, 1994). Het gemak waarmee FECV kan muteren wordt ondersteund door ervaringen met de veranderlijkheid van gerelateerde coronavirussen bij muizen en varkens (Horzinek et al, 1995). Omdat FIPV's en FECV's vrijwel identiek zijn, met uitzondering van het biologische ziektevermogen, worden FECV en FIPV ook wel aangeduid als biotypes van Serotype I of II FCoV (Vennema et al, 1995).

Hoewel er niet aan wordt getwijfeld dat FIPV's eenvoudige mutaties van FECV's zijn, moet de exacte mutatie, die verantwoordelijk is voor de verandering in het ziektevermogen, nog worden ontdekt (Vennema et al, 1995. Verder is de oorsprong van de mutatie onbekend met betrekking tot de kat die echt FIP ontwikkelt. Een mogelijkheid is dat varianten die FIP opwekken op een laag niveau worden geproduceerd tijdens eerste- of tweedegraads besmettingen met FECV en de ziekte veroorzaken in dezelfde kat, waarin ze oorspronkelijk zijn begonnen. Een tweede mogelijkheid is dat het mutante virus wordt geproduceerd in de ingewanden van een met FECV geïnfecteerde kat, wordt uitgescheiden via de uitwerpselen en dan onbedoeld wordt opgenomen door andere, vatbare dieren.

Serotypen van FIPV en FECV

Alle FCoV's, of zij nu FECV's of FIPV's zijn, behoren tot twee onmiskenbare serotypen, genaamd Type I en Type II (Pedersen et al, 1984). Serotype I FCoV's bestaan over de hele wereld uit 70 tot 95% of meer uit FIPV en FECV geïsoleerde stoffen (Hohdatsu et al, 1992). Serotype I FCoV's zijn heel erg moeilijk in een cellenkweek te ontwikkelen. Wanneer zij zich voortplanten, doen ze dat bij voorkeur op de kat (Felis catus), met eerder hele cellen in 4-cellig stadium (Fcwf-4) dan Crandell feline niercellen (CrFK) en worden ze niet geneutraliseerd door het antiserum voor het canine coronavirus (CCoV). Serotype II FCoV's planten zich makkelijker voort in een cellenkweek, inclusief ontwikkeling op CrFK cellen, en worden tot een hoog gehalte geneutraliseerd door het CCoV antiserum. Serotypes II FCoV's lijken daarom meer op CCoV dan Serotype I FCoV's. Voorbeelden van Serotype I FCoV's behelzen op één na uit de huidige FIPV-UCD geïsoleerde stoffen (FIPV-UCD1-5 en 8-10), FECV-UCD, FECV-RM en FIPV-TN406 (Vennema et al, 1995). Onder Serotype II FCoV's vallen FIPV-79-1146, FIPV-Norl5, FIPV-DF2, FIPV-UCD6 en FECV-79-1683.

De verhouding van FCoV's tot coronavirussen van andere soorten

De rol van andere diersoorten bij een besmetting met FECV van katten is onbekend. Coronavirussen van zwijnen, knaagdieren, vogels en mensen lijken te verre verwanten te zijn van FCoV's om katten te kunnen besmetten. 5 tot 30% van de uit het feline coronavirus geïsoleerde stoffen, afhankelijk van om welk gebied ter wereld het gaat, hebben echter een structuur die duidelijk op CCoV lijkt (Hohdatsu et al, 1992). Een CCoV-stam heeft milde buikvliesontsteking veroorzaakt bij laboratoriumkatten, terwijl een tweede, uit CCoV geïsoleerde stof FIP teweeg heeft gebracht toen deze experimenteel werd geïnjecteerd bij katten (McArdle et al, 1992). Sommige CCoV-stammen kunnen daarom katten rechtstreeks besmetten, hoewel zo'n directe besmetting waarschijnlijk ongewoon is. Het in kaart brengen van genomen wijst erop dat Serotype II FCoV's in feite recombinanten (DNA waarin een stukje vreemd DNA is ingelast) tussen Serotype I FcoV's en CCoV zijn, die in het verleden hebben plaatsgevonden (Vennema et al, 1995).

Epidemiologische overwegingen

FECV besmetting

FECV is gebonden aan vrijwel elke omgeving waar grote aantallen katten dichtbij elkaar samenleven en waar kattengrit, voedsel en waterbakken worden gedeeld. Ongeveer een kwart van de dieren in gezinnen waar 1 kat aanwezig is, zal afweerstoffen tegen FCoV hebben, terwijl 75 tot 100% van de katten in catteries op ieder te bepalen moment seropositief zal zijn (Pedersen, 1976). Regelmatige wisseling in het aantal katten dat komt en gaat, zal de kans op besmetting verder vergroten.

Vatbare katten die in een omgeving worden geplaatst waar FECV aanwezig is, zullen vrijwel meteen worden besmet, waarbij de incubatietijd tussen de 7 en 14 dagen is (Pedersen et al, 1981). Kittens van poezen in gezinnen waar het virus rondwaart, worden vatbaar voor besmetting wanneer zij hun passieve systemische, lokale (door moedermelk verkregen, maternale bescherming) immuniteit verliezen, normaal gesproken vanaf de leeftijd van 6 tot 10 weken.

FIPV besmetting

FIP is hoofdzakelijk een ziekte van jongere katten. Sterfgevallen verschijnen kort na het spenen en bereiken hun piek op de leeftijd van 6 tot 18 maanden (Kass en Dent, 1995; Pedersen, 1976a, 1983a, 1988, 1991). Daarna neemt de sterfte af, met relatief weinig gevallen na de leeftijd van 3 tot 5 jaar.

Driekwart van de gevallen van FIP in de Verenigde Staten komt voor onder katten die zijn grootgebracht in catteries, gezinnen met veel katten of asielen. Het aantal gevallen van FIP bij huiskatten in gezinnen met één of twee katten, of zij nu binnenshuis of buitenshuis rondlopen, is laag. Dit onderscheid is niet zo duidelijk aanwezig in sommige Noord-Europese landen, zoals Zwitserland (Fehr et al, 1995). Het percentage huiskatten dat FIP heeft, is groter en sterfte treedt vaak in de late zomer op, als het kouder wordt en katten samen meer tijd binnenshuis gaan doorbrengen.

Het globale sterftecijfer aan FIP onder huiskatten in gezinnen, die uit één of twee oudere katten bestaan is ongeveer 1 op 5000, terwijl een sterftecijfer van ongeveer 5% normaal is bij groepen katten, die dicht op elkaar leven (Addie et al, 1995; Fehr et al, 1995; Postorino Reeves, 1995). Uitbraken van FIP binnen populaties met een hoog risico zijn gewoonlijk plaatsgebonden, met een of meer gevallen binnen een paar maanden, gevolgd door perioden waarin zich geen gevallen voordoen. Epidemieën van de ziekte zijn minder gebruikelijk. Zij ontstaan plotseling en hierdoor wordt 40% of meer van de jongere katten getroffen. Na zulke epidemieën valt de ziekte snel terug in de vorm, die voor het desbetreffende gebied geldt.

Hoewel vrijwel alle grote groepen van binnenshuis wonende katten lijden aan een plaatsgebonden feline coronavirusbesmetting, zal maar ongeveer eenderde van dergelijke groepen met sterfte door FIP te maken krijgen (Addie et al, 1995; Kass en Dent, 1995). Er zijn verschillende verklaringen voor deze tegenstrijdigheid. Ten eerste vindt er vaak geen diagnose bij kittensterfte plaats, omdat er geen pathologisch onderzoek plaatsvindt. Ten tweede, varieert de wijze van fokken van cattery tot cattery nogal en helpen sommige fokpraktijken mee aan de vermeerdering van FECV en derhalve van FIP. Ten derde zijn er talloze stammen van FIPV en elke heeft een andere manier om FIP te veroorzaken (Pedersen et al, 1984). Ten vierde zijn er vele nevenfactoren die invloed hebben op het werkelijke aantal ziektegevallen van FIP, naast louter blootstelling aan het virus.

Talloze externe invloeden, nevenfactoren genaamd, kunnen van invloed zijn op het aantal ziektegevallen van FIP. Deze worden niet beïnvloed door het geslacht van de kat. Voorkeur voor een bepaald ras is ook niet vastgesteld, hoewel sommige bloedlijnen en paringen een groter risico kunnen vormen. De mate waarop FIP voorkomt in catteries van raskatten neemt toe in verhouding tot het aantal dieren dat in dezelfde accommodatie wordt gehouden (Kass en Dent, 1995). Dieren, die uit hetzelfde nest komen als de getroffen dieren, hebben een grotere kans om ook FIP te ontwikkelen, dan dieren die niet uit hetzelfde nest komen, ongetwijfeld omdat broers en zussen genetisch hetzelfde zijn, op dezelfde manier zijn blootgesteld en dezelfde nevenfactoren delen. Een aantal stressfactoren lijkt ook een belangrijke rol bij FIP te spelen. Deze stressfactoren omvatten:

  1. zwangerschap bij jongere poezen,
  2. vrijwillige chirurgische procedures, zoals sterilisatie, castratie en verwijderen van nagels bij jongere katten,
  3. de vaak met elkaar samenhangende stressfactoren van het spenen, vervoer en de aanpassing aan een nieuw huis
  4. bijkomende besmettelijke ziekten.
Stress heeft hoogstwaarschijnlijk een nadelig effect op het ziekteverloop als het plaatsvindt in het eerste stadium van de besmetting. Bij kittens die worden grootgebracht in gezinnen waar FCoV aanwezig is, vindt deze eerste besmetting plaats op de leeftijd tussen 6 en 10 weken, precies wanneer alle soorten stressfactoren het meest aanwezig zijn. Daarnaast is dit ook een periode in de ontwikkeling van het immuunsysteem van de kat, waneer het moeilijk is om beschermende FIPV immuniteit ten behoeve van vaccinatie te produceren, en vermoedelijk, ook tegen natuurlijke besmetting (J Gerber, Pfizer Animal Health, Inc., Lincoln, Nebraska, persoonlijke communicatie, 1994).

Besmetting met het feline leukemievirus (FeLV) was ooit een belangrijke meespelende factor van FIP, aangetroffen in 30 tot 50% van alle katten die de ziekte op natuurlijke wijze hadden opgelopen (Cotter et al, 1973; Pedersen,1976). Het is experimenteel aangetoond, dat als een onder andere omstandigheden overigens gezonde kat een immunologisch ingeperkte concentratie aan FIPV-besmetting in het lichaam heeft, een volgende, bijkomende besmetting met FeLV deze immuniteit zal verstoren, waardoor de besmetting geactiveerd wordt (Pedersen en Floyd, 1985). Met de uitschakeling van FeLV in catteries en gezinnen met meerdere katten, is de koppeling tussen FIPV en FeLV ongebruikelijk geworden. Minder dan 5% van katten met FIP is thans FeLV-positief (Pedersen, 1991) en van degenen met een dubbele besmetting is het aannemelijker dat zij uit een gezin met huisdieren komen dan uit een cattery. Hoewel het aantal ziektegevallen van FeLV-besmetting drastisch is gedaald in dezelfde gezinnen, waar het risico van FIP aanwezig is, is het aantal ziektegevallen van FIP naar verhouding niet gedaald.

Wijze van ontstaan en ontwikkeling van feline coronavirusinfecties

FECV besmetting

FECV wordt verspreid door middel van uitwerpselen, die via de mond worden opgenomen en zoals alle fecaal-orale ziekteverwekkers, zijn bepaalde fokfactoren van invloed op zowel de instandhouding als de overdracht van de ziekteverwekker. De drie factoren die het ontstaan bevorderen, zijn:

  1. een aantal besmette dieren om als bron van de verspreiding van het virus in het gezin te fungeren
  2. een constante groep vatbare dieren
  3. slechte cattery hygiëne, die de besmetting van de omgeving door uitwerpselen en fecaal-orale overdracht bevordert.

De plek waar het virus zich ophoudt, is waarschijnlijke de dunne darm; degenen die het virus uitscheiden zijn de katten die of de overgang van het eerste naar het tweede stadium van de besmetting ondergaan of hiervan herstellende zijn. Het dragerschap dat volgt op deze eerste of terugkerende besmetting lijkt bij de meeste dieren van korte duur te zijn en duurt slechts enkele weken of maanden. Virus dat wordt geproduceerd in de ingewanden wordt uitgescheiden via de uitwerpselen. Virusdeeltjes kunnen waarschijnlijk een aantal weken overleven in opgedroogde uitwerpselen, in kattengrit en in vochtdoorlatende vloerbedekking en zorgen zo voor nog eens infectiehaard.

Er zijn drie redenen waarom dieren vatbaar zijn:

  1. katten die zijn grootgebracht in de cattery in de leeftijd van 6 tot 10 weken of ouder (nadat zij niet langer worden beschermd door de afweerstoffen, die zij van hun moeder hebben gekregen),
  2. vatbare katten die van buitenaf in de cattery of het gezin worden gebracht
  3. katten die eerder zijn besmet en die in de loop van de tijd hun immuniteit hebben verloren.
Deze vatbare dieren fungeren als de brandstof voor de besmetting - hoe meer vatbare katten er in de omgeving worden geplaatst, des te groter de ernst van de besmetting (Kass en Dent, 1995). Slechte cattery hygiëne waardoor virussen die FIP kunnen veroorzaken, worden doorgegeven via de kattenbak en via speeksel, maar ook situaties die het vermogen van de kat onderdrukken om de besmetting te bestrijden, helpen op die manier mee de verspreiding en ernst van de besmetting te vergroten.

Nadat het via de mond is opgenomen, verplaatst het virus zich via het spijsverteringskanaal naar de dunne darm en hecht zich aan de oppervlakte van de epitheelcellen (enterocyten), die de top van de darmvlokken (villi) bekleden. Het dringt bij de enterocyt naar binnen, plant zich snel voort in het cytoplasma en doodt de gastheercel. Virusdeeltjes die zich losmaken van de stervende enterocyten, hechten zich vervolgens aan andere, niet-besmette enterocyten, die zich in de nabijheid bevinden en het proces zet zich voort. Als er genoeg cellen in de ingewanden vernietigd kunnen worden voordat immuniteit plaatsvindt, zullen er zich klinische symptomen van enteritis voordoen.

FIPV besmetting

FIP komt voor als een kat is blootgesteld aan varianten van FECV's die zijn gemuteerd en het vermogen hebben gekregen zich voort te planten in macrofagen (dit zijn grote witte bloedcellen, die in staat zijn (delen van) andere cellen "op te eten"). Dit vermogen om zich voort te planten in macrofagen is het belangrijkste verschil tussen FECV's en FIPV's (Stoddart en Scott, 1989). Als FIPV zich eenmaal begint voort te planten in macrofagen, wordt het een systemische (het hele lichaam betreffende), intercellulaire ziekteverwekker; macrofagen zijn zwervende cellen en kunnen met gemak het virus naar ander weefsel en andere organen in het lichaam verspreiden.

Een reeks gebeurtenissen die dikwijls eindigt in de dood aan FIP van de gastheerkat wordt in gang gezet als het virus wordt opgenomen door een macrofaag, vaak in de mesenterische lymfeklieren. FIPV plant zich snel voort in het cytoplasma van de macrofaag; de cel barst vervolgens en laat een groot aantal nieuwe virionen (of virusdeeltjes) de vrije loop in de omliggende ruimtes. Deze deeltjes worden snel opgenomen door nog meer macrofagen en de mate van virusvoortplanting verhevigt verhoudingsgewijs. Sommige besmette macrofagen ontsnappen aan de mesenterische lymfeklieren en reizen via het bloed naar adertjes in oppervlakken van het sereus vlies en borstvlies van de organen in de buik en borstkas, de hersenvliezen en ependymale cellen (dit zijn de endotheelcellen van de hersenkamers en het centrale kanaal van het ruggenmerg. Een endotheel is een bedekkend laagje aaneengesloten cellen dat de binnenkant van het hart en bloedvaten bedekt) van de hersenen en het ruggenmerg, en het weefsel van het druifvlies van het oog. De besmette macrofagen verlaten dan de adertjes, waar zij verdergaan met het voortplanten van het virus. Als antwoord op deze virusvoortplanting, worden meer macrofagen uit het bloed aangetrokken en dringen het gebied binnen.

De kenmerkende ontsteking door FIP is het gevolg van zowel het effect van het virus op de macrofagen als het effect van het afweersysteem van de gastheer zelf op de besmette cellen. Omdat besmette macrofagen geneigd zijn zich te verzamelen rondom kleine adertjes in het weefsel dat het doelwit is, is de klassieke laesie van FIP aderontsteking of "vasculitis".

Klinische kenmerken van feline coronavirusinfecties

FECV besmetting

FECV besmetting is normaal gesproken niet zichtbaar, hoewel in ernstige gevallen er tijdelijk sprake is van overgeven, gevolgd door een lichte tot ernstige diarree, die hoogstens verschillende dagen duurt (Dea et al, 1982; Hickman et al, 1995; Pedersen et al, 1981). Dodelijke FECV besmettingen zijn zeer ongewoon (McKeirnan et al, 1981).

FIPV besmetting

Er zijn twee vormen van FIP. De klassieke, acute of natte vorm van de ziekte is de meest voorkomende en het makkelijkst vast te stellen. Natte FIP heeft als doelwit de lichaamsholtes, in het bijzonder de buik (Tabel 1), en de kenmerkende vochtophopingen zijn makkelijk te herkennen. De minder voorkomende chronische of droge vorm van FIP, hoewel nog steeds geconcentreerd op de buik, betrekt een groter aantal organen erbij, inclusief de ogen en het centrale zenuwstelsel (CZS) (Tabel 1); vochtophopingen zijn echter afwezig of minimaal, waardoor een belangrijk kenmerk voor het vaststellen van de diagnose wordt weggenomen.

TABEL 1
Variabiliteit in plaatsen met zichtbare
laesies bij acute en chronische FIP
Klinische symptomen toe te schrijven aan de betrokkenheid van de/het:
Aandeel zieke katten met:
Natte FIP Droge FIP
Buikvliesholte62/107=58%30/94=32%
Buikvlies- en borstvliesholte24/107=22%4/94=4%
Borstvliesholte12/107=11%1/94=1%
Buikvliesholte en ogen3/107=3%7/94=7%
Buikvliesholte en centrale zenuwstelsel2/107=2%0/94=0%
Buikvlies- en borstvliesholte en centrale zenuwstelsel1/107=1%3/94=3%
Buikvlies- en borstvliesholte en ogen1/107=1%2/94=2%
Buikvliesholte en centrale zenuwstelsel1/107=1%0/94=0%
Buikvliesholte, centrale zenuwstelsel, ogen1/107=1%2/94=2%
Borstvliesholte, centrale zenuwstelsel, ogen0/107=0%1/94=1%
Centrale zenuwstelsel0/107=0%22/94=23%
Ogen0/107=0%14/94=15%
Centrale zenuwstelsel en ogen0/107=0%8/94=9%

Het klinische verloop van FIP varieert van een paar dagen tot een aantal maanden of meer, waarbij natte FIP zich sneller ontwikkelt dan de droge vorm. Op het moment van overlijden of laten inslapen, hebben katten meestal de ene of de andere vorm; in het hele verloop van de ziekte verandert de vorm echter vaak. De meeste gevallen van droge FIP beginnen met een korte en vaak onopgemerkte periode van natte FIP. Het is ook niet ongebruikelijk dat katten weken of maanden lijden aan droge FIP en vlak voor hun dood natte FIP ontwikkelen. Deze verandering van droge naar natte FIP heeft te maken met de uiteindelijke bezwijking van het immuunsysteem door het ongenadige effect van de besmetting op het lichaam. Met de totale bezwijking van celgemedieerde immuniteit, stijgt de voortplantingssnelheid van het virus spectaculair, de verspreiding van de laesies wordt veel omvangrijker en verandert van vorm, van een korrelige weefselvorming (droog) in een met pus en korrelige weefselvorming (nat).

Er zijn een aantal klinische symptomen die hetzelfde zijn voor zowel natte als droge FIP en een aantal opmerkelijke kenmerken. Algemene kenmerken zijn een chronische, fluctuerende koorts, die niet reageert op antibiotica, toenemende anorexia en gewichtsverlies. Achterblijven in groei is een algemene afwijking bij kittens met FIP en kan al vele weken of maanden bestaan voor het verschijnen van andere symptomen. Katten met FIP vertonen ook een toename van de totale hoeveelheid eiwitten in hun bloedplasma en globulines (kleine, bolvormige eiwitmoleculen met een transportfunctie), een verhoogd aantal witte bloedcellen met een hoog aantal polymorfonucleaire neutrofielen, een laag aantal lymfocyten, en een lichte tot matige bloedarmoede van het "chronische ziektetype". Het bloedplasma en de urine worden vaak donkergeel vanwege bilirubine (een gele stof die voornamelijk vrijkomt bij afbraak van oude rode bloedcellen). Meer gerichte klinische symptomen worden ook geconstateerd, afhankelijk van het deel van het lichaam dat het meest aangetast is en de vorm die de ziekte heeft. Buikvliesontsteking met opeenhopingen van grote hoeveelheden vocht komt voor bij 75% of meer van de katten, die natte FIP hebben (Tabel 1). Longvliesontsteking met opeenhopingen van vocht in de borstkas wordt geconstateerd bij ongeveer 25% van de katten met acute FIP. Buikvocht, of ascites, wordt zichtbaar bij een opgezette buik. Als de kat een volle kater is, kan de balzak vergroot lijken. Het weefsel rondom de teelballen is een verlengstuk van hetzelfde weefsel dat de buikvliesholte en de organen in het buikvlies bekleedt. Katten met vocht in de borstkas hebben moeite met ademhalen.

Hoewel de buik nog steeds de meest aangewezen plek is om laesies bij katten met droge FIP (Tabel 1) aan te treffen, is buikvocht afwezig of minimaal aanwezig. In plaats daarvan zijn er grote, aan de oppervlakte liggende, granulomen in de mesenterische lymfeklieren, nieren en, minder gebruikelijk, de lever of blindedarm. Granulomateuze laesies zijn dikwijls voelbaar door de huid heen of zichtbaar op een echografie.

Net zoals buikvocht of vochtophoping tussen de borstvliezen kenmerkend is voor natte FIP, worden klinische en met het blote oog waarneembare symptomen aan de ogen en het centrale zenuwstelsel, vrijwel alleen waargenomen bij katten met droge FIP (Tabel 1). Symptomen met betrekking tot het oog worden zichtbaar door een vertroebeling van het vocht achter het hoornvlies, bezinking die duidt op een ontsteking aan de achterkant van het hoornvlies, een onregelmatig gevormde pupil, of zelfs een verandering in de kleur van het oog (vanwege een ontsteking van de iris). Symptomen van het zenuwstelsel variëren, wederom afhankelijk van de gebieden die zijn aangetast. Zwakte of verlamming van de achterpoten is waarschijnlijk het meest voorkomende neurologische symptoom, samen met laesies van de ruggengraat. Verlamming van de belangrijkste zenuwen in de voorpoten, het hoofd en de nek zijn ook waargenomen. Als de hersenen erbij betrokken zijn kan er dementie optreden, veranderingen in persoonlijkheid (het zich terugtrekken, woede-uitbarstingen, zich verstoppen), stuipen, het hoofd schuin houden of dwangmatig rondjes lopen.

Waarom concentreren laesies zich bij acute FIP op de kern van het lichaam (d.w.z. de buik en borstkas), terwijl laesies bij chronische FIP zich concentreren op het zenuwstelsel (de ogen maken deel uit van het zenuwstelsel)? De uitleg is wederom te vinden in het afweersysteem van de gastheer. Het zenuwstelsel heeft een speciale barrière (de bloed-hersenbarrière) die de toegang van schadelijke stoffen uit de rest van het lichaam tegenhoudt. Helaas belemmert de bloed-hersenbarrière ook de toevoer van afweercellen en antilichamen uit de kern van het lichaam. Daarom moet het afweersysteem in de kern van het lichaam heel erg sterk zijn, voordat een aanmerkelijk gehalte immuniteit zich kan verspreiden naar de zenuwweefsels. Bij katten met chronische FIP is er maar een gedeeltelijke immuunreactie op het virus, en gedeeltelijke immuniteit zal zeer nuttig zijn in de delen van het lichaam waartoe de gastheer vrije toegang heeft, nl. de kern van het lichaam.

Klinisch-pathologische kenmerken van feline coronavirusinfecties

FECV besmetting

Er zijn geen karakteristieke klinisch-pathologische kenmerken voor een FECV besmetting.

FIPV besmetting

Volledige bloedonderzoeken hebben de neiging vergelijkbare afwijkingen te vertonen, ongeacht de vorm van de ziekte. Een verhoogd aantal witte bloedcellen (leukocytose) samen met een verhoogd aantal polymorfonucleaire neutrofielen (puscellen) en een verminderd aantal lymfocyten (immuuncellen) wordt in de meeste getroffen dieren aangetroffen.

Een lichte tot middelmatige niet-regenererende bloedarmoede is ook gebruikelijk, vooral onder katten die al enige tijd ziek zijn. Deze bloedarmoede is van de soort die vaak samengaat met chronische ziekte, ongeacht de oorzaak.

Het totale eiwitniveau in het bloed is vaak verhoogd, hoofdzakelijk door een verhoging in het niveau van immunoglobulinen en een vermindering van albumine. Opdeling van afwijkende sera door middel van zetmeelgel elektroforese vertoont verhogingen in zowel ontstekings- (alfa) en immunoglobulinen (bèta en gamma) aan. De vermindering van albumine is evenredig aan de bloedarmoede.

Het serum is vaak gelig van kleur vanwege een verhoogd niveau aan bilirubinepigment (hyperbilirubinemie); de urine vertoont vergelijkbare veranderingen (hyperbilrubinurie). De hoeveelheid hyperbilirubinemie en hyperbilirubinurie staat vaak niet in verhouding tot klinische geelzucht (het geel worden van lichaamsweefsel), een zich onderscheidend kenmerk van andere soorten leverziekten zoals hepatische lipidose (leververvetting) en chronische biliaire cirrose.

Vocht uit de buik of borstkas bij katten met natte FIP is tamelijk kenmerkend. Het is gelig van kleur, heeft een slijmerige, kleverige of eiwitte dichtheid en bevat talloze polymorfonucleaire neutrofielen en monocyten / macrofagen. Het totale eiwitniveau in het vocht heeft vaak een serumniveau van 75 tot 100%. Buikvocht is zichtbaar bloederig, echter vocht uit de borstkas heeft vaak een lichte bloedkleur en de gelige kleur zal niet worden opgemerkt totdat de cellen door centrifugeren van elkaar zijn gescheiden of totdat zij de kans hebben gekregen naar de bodem van het bloedbuisje te zakken. Hersenvocht van katten waarbij het hersenvlies of ependymale cellen uitgebreid betrokken zijn, bevat vaak een verhoogd niveau aan eiwitten en neutrofielen. Synoviaal vocht (gewrichtsvocht), vooral uit katten met acute FIP, kan ontstoken zijn, in overeenstemming met verhoogde aantallen neutrofielen.

Opzuiging met een naald (of soms biopsie) van laesies op organen in de buik van katten met droge FIP zullen een gemengd ontstekingsinfiltraat vertonen, inclusief niet-degeneratieve neutrofielen, monocyten / macrofagen, plasmacellen en lymfocyten.

Pathologische kenmerken van feline coronavirusinfectie

FECV besmetting

De enige gedetailleerde pathologische beschrijving van een FECV besmetting is die van Pedersen en collega's (1981). De kenmerkende laesie bestaat uit een voorbijgaande ongevoeligheid van de villi van de dunne darm, samen met verlies van het volwassen apicaal membraan. Dit wordt gevolgd door hyperplasie (abnormale weefselgroei) van het holte-membraan en herstel van de normale villusconstructie.

FIPV besmetting

De met het blote oog en microscopisch zichtbare laesies van FIP zijn uitgebreid beschreven (Holmberg en Gribble, 1973; Montali en Strandberg, 1972; Wolfe en Griesemer, 1971). Het wordt dringend aanbevolen om alle verdachte gevallen van FIP te laten bevestigen door een gedeeltelijke of volledige autopsie. Een gedeeltelijke autopsie wordt dan verricht om visueel de aard en de locatie van de laesies in het lichaam te bevestigen. In aanvulling op het vocht dat kenmerkend is, hebben katten met natte FIP een ontsteking van de bekleding van hun buik- of borstvlies, die verspreid is. De oppervlakken van het buikvlies zien er vaak uit als "vermalen glas" en het omentum (de plooi van het buikvlies) is normaal gesproken zeer oedeemachtig. Katten met droge FIP zullen verschillende grote, op oppervlakte gerichte, granulomateuze laesies op bepaalde organen vertonen, vooral de nieren, mesenterische lymfeklieren, lever, hersenvliezen en ependymale cellen.

Microscopisch onderzoek van de laesies zal nog een andere mate van accuratesse toevoegen. Kleine, verspreide pyogranulomateuze, op oppervlakte gerichte laesies op het buik- en borstvlies (plaatselijke stapelingen van macrofagen met een rand van polymorfonucleaire neutrofielen) zijn typisch voor natte FIP. Grotere, meer plaatselijk, op oppervlakte gerichte granulomateuze laesies, bestaande uit een centrale opeenstapeling macrofagen met dicht omringde infiltraten van plasmacellen en lymfocyten, die zich neerwaarts uitbreiden naar het parenchym (het kenmerkende voor de normale functie dienende weefsel van een orgaan) van de aangetaste organen, zijn typisch voor droge FIP. De aanwezigheid van typisch grof ogende laesies op kenmerkende plekken, gekoppeld aan andere, achtergrondinformatie en informatie van het laboratorium, zou voldoende moeten zijn om de diagnose te kunnen stellen.

Een aanzienlijk probleem bij autopsie is de afkeer van pathologen om definitief de diagnose FIP te stellen zonder werkelijk het weefsel op de aanwezigheid van FIPV te hebben getest, met als beweegreden dat andere ziekteverwekkende microben vergelijkbare laesies kunnen veroorzaken. Helaas zijn tests om FIPV in laesies vast te stellen duur en tamelijk geavanceerd en worden daarom nauwelijks uitgevoerd. Niettemin, als de patholoog verklaart dat de laesies door hun locatie en uiterlijke kenmerken overeenkomen met FIP, en de achtergrond- en klinische informatie suggereert dit ook, is het uiterst onwaarschijnlijk dat er sprake is van een andere ziekteverwekker. Andere besmettelijke ziekteverwekkers die vergelijkbare laesies kunnen veroorzaken, zijn veel minder gebruikelijk dan FIP, hebben gewoonlijk een andere achtergrond en hebben de neiging om typerende, met het blote oog waarneembare en microscopische veranderingen te veroorzaken.

Diagnose van feline coronavirusinfecties

Feline enterisch coronavirus

Het is onmogelijk een FECV besmetting vast te stellen op basis van klinische symptomen. De meeste FECV besmettingen zijn klinisch niet zichtbaar. Als symptomen aan het maag-darmkanaal worden geconstateerd, kunnen zij niet onderscheiden worden van symptomen die door een groot aantal ander besmettelijke en niet-besmettelijke bronnen worden veroorzaakt.

Een positief gehalte FCoV in een gezonde kat is een zeer goede aanwijzing van een eerdere blootstelling aan FECV (Pedersen, 1995). Bij katten met een hoger gehalte aan antistoffen voor FCoV (≥ 1:100) is het waarschijnlijker dat zij het virus in hun uitwerpselen uitscheiden, dan van katten met een negatief of zeer laag (≤ 1:25) gehalte (Addie en Jarrett, 1995; Hickman et al, 1995; Pedersen et al, 1981).

Het uitscheiden van FECV in uitwerpselen kan worden waargenomen door elektronenmicroscopisch onderzoek van negatief gekleurde uitwerpselextracten (Dea et al, 1982; Pedersen et al, 1981). Deze procedure is echter omslachtig, duur en gewoonlijk niet beschikbaar. Polymerase kettingreactie (PCR, van Polymerase Chain Reaction) is recent gebruikt om FECV RNA (ribonucleïnezuur, dient voor het kopiëren van genetische informatie die is opgeslagen in het DNA) in uitwerpselen waar te nemen (Herrewegh et al, 1995). Deze techniek is echter nog niet goedgekeurd, d.w.z. dat PCR niet heeft bevestigd dat de uitwerpselen van positief geteste dieren besmettelijk zijn en dat die van negatief geteste dieren niet besmettelijk zijn.

Feline infectueuze peritonitis

FIP, hetzij in droge of natte vorm, heeft vele kenmerkende eigenschappen (Tabel 2) en is bij lange na niet zo moeilijk vast te stellen als velen geloven. De truc van het vaststellen van de diagnose is om zoveel mogelijk kenmerkende historisch aanwezige, lichamelijk en klinisch-pathologische bevindingen van FIP te verzamelen. Bijvoorbeeld, hoe meer van de hieronder volgende historische, lichamelijke en laboratorium bevindingen bij de kat worden aangetroffen, des te aannemelijker is het dat hij FIP heeft; sommige klinische kenmerken zullen duidelijk meer gewicht in de schaal leggen (belangrijker zijn) dan andere (Tabel 2).

TABEL 2
Eerdere, klinische en laboratoriumbevindingen bij een zieke kat en hun relatieve belang (gewicht) bij het vaststellen van FIP.
Eerdere bevindingen Punten
1. Resistent voor antibiotica, aanhoudende, hoge koorts10
2. Vochtophoping in de buik10
3. Vochtophoping tussen de borstvliezen5
4. Boven vochtophopingen, gelig, slijmerige, hoog gehalte eiwitten, fibrinemarkeringen, gemiddelde hoeveelheden macrofagen en polymorfologische neutrofielen15 maal symptomen van 2 of 3
5. Icterisch serum5
6. Voelbare of zichtbare massa's in mesenterische lymfeklieren, nieren, darmstreek5
7. Aspiraat of biopsie van bovengenoemde massa's, die granulomateuze ontstekingen vertonen15 maal symptomen van 6
8. Neurologische afwijkingen15
9. Uveïtis anterior (ontsteking van het voorste gedeelte van het oog) / netvliesontsteking10
10. Uveïtis anterior met afzetting op het hoornvlies25
11. Kenmerkend, volledig bloedbeeld10
12. Verhoogd gehalte serumeiwitten10
13. Kenmerkende serumelektroforese15
14. FCoV antilichaamgehalte negatief tot 1:250
15. FCoV antilichaamgehalte tussen 1:100 en 1:4005
16. FCoV antilichaamgehalte 1:160010
17. FCoV antilichaamgehalte 1:3200 of hoger20
Tel bovenstaande punten bij elkaar op en vermenigvuldig als volgt:
18. De kat komt uit een cattery voor raskatten of uit een omgeving waarin zich een (groot) aantal katten bevindt (asiel, opvanghuis, dierenwinkel, gezin met dieren etc.)3 x het totale aantal puntenb
19. De kat is tussen de 3 maanden en 3 jaar oud2x het totale aantal puntenb
Katten die minder dan 75 punten scoren, hebben waarschijnlijk geen FIP; 75 tot 200 punten, er moet rekening gehouden worden met FIP, maar ook met andere oorzaken; hoger dan 200 punten, FIP moet bovenaan de diagnoselijst staan.
b Afweging van andere klinische symptomen wordt in hoge mate beïnvloed door de omgeving waaruit de kat oorspronkelijk komt en de leeftijd van de kat bij aanvang van de ziekte.

Omdat FIP meestal dodelijk is, is de term "nagel aan de diagnostische doodskist" toepasselijk in discussies over dit type. Elk van de bovenstaande bevindingen vertegenwoordigt een andere hoeveelheid nagels. Om de deksel goed dicht te timmeren - de diagnose te stellen - is een bepaald aantal nagels nodig. Hoewel deze lijst van symptomen, klinische bevindingen en hun relatieve belang alleen als voorbeeld is bedoeld, blijft de kwestie dat FIP niet kan worden vastgesteld door een op zichzelf staande bevinding. Bovendien zijn in het hele verhaal bevindingen zoals een positief coronavirusgehalte (vooral bij een gezonde kat) bijvoorbeeld veel minder belangrijk dan de omgeving waaruit de kat kwam of een voorgeschiedenis van aanhoudende koorts, die niet reageert op antibiotica. Ook dient de aannemelijkheid dat een afwijking verband houdt met een andere afwijking overwogen te worden. Bijvoorbeeld, neurologische symptomen bij een oude kat hebben naar alle waarschijnlijkheid niets met FIP te maken, omdat FIP ongebruikelijk is bij oudere dieren; echter, neurologische symptomen in een jongere kat, vooral als deze uit een cattery of soortgelijke omgeving komt, worden naar alle waarschijnlijkheid wel door FIP veroorzaakt. Tevens zijn er vele oorzaken van buikvocht bij een kat, maar er is bijna geen andere ziekte die de kenmerkende afwijkingen in het vocht bij katten met FIP vertoont.

Het vaststellen van FIP door middel van serologisch onderzoek is vrijwel onmogelijk omdat beschikbare tests geen onderscheid kunnen maken tussen antilichamen, die voortkomen uit een blootstelling aan FECV en antilichamen die voortkomen uit een besmetting met FIPV (Pedersen, 1995). Hoewel katten met FIP, vooral die met de chronische vorm, de neiging hebben gehaltes aan antilichamen te hebben die hoger zijn dan die worden waargenomen bij gezonde, aan FECV blootgestelde katten, is de overlap aanzienlijk. Daarom wordt het gezien als diergeneeskundige nalatigheid om FIP vast te stellen bij een kat op basis van uitsluitend serologisch onderzoek. Lezers worden verwezen naar de gedetailleerde beschrijvingen die zijn gepubliceerd in deze uitgave van Feline Practice over de uitleg en de mogelijke valkuilen van serologisch onderzoek als middel om FIP vast te stellen (Pedersen, 1995; Richards, 1995).

Nucleïnezuursondes (Martinez en Weiss, 1993) en polymerase kettingreactie (PCR) (Herrewegh et al, 1995) zijn recent toegepast bij een diagnose van FIP. Deze tests kunnen extreem lage hoeveelheden viraal RNA in weefsel en verschillende soorten lichaamsvocht vaststellen. Het specifieke karakter van dergelijke tests met betrekking tot een diagnose van FIP wordt gebaseerd op twee aannames: 1) dat FIP wordt aangetroffen in weefsel, terwijl FECV uitsluitend voorkomt in uitwerpselen en 2) dat het mogelijk is onderscheid te maken tussen FIPV en FECV door middel van PCR, gebaseerd op genoomkaarten van bekende FECV- en FIPV-stammen (Martinez en Weiss, 1993). Helaas kunnen beide aannames onjuist zijn. Het FCoV genoom is onlangs door middel van PCR ontdekt in het bloed van veel gezonde katten in gezinnen waar FCoV aanwezig is (Herrewegh et al, 1995). Daardoor lijkt het dat het FECV genoom, behalve in uitwerpselen, ook aanwezig kan zijn in weefsel, in ieder geval tijdens sommige stadia van besmetting. Dit zou geen probleem zijn als PCR typerend was voor FIPV en niet voor FECV. Om PCR typerend voor FIPV te maken, zijn er PCR primers (een primer is een klein stukje enkelstrengig DNA dat gebruikt wordt als startpunt van PCR) gecreëerd uit gebieden van het genoom, waarvan wordt aangenomen dat deze typerend zijn voor FIPV. Deze genoomkaarten zijn verkregen uit zogenaamde prototype FECV- of FIPV-stammen, d.w.z. FECV-79-1683 en FIPV-79-1146; vrijwel alle genetische verschillen tussen deze prototype stammen worden echter eerder veroorzaakt door geografische diversiteit dan door verschillen in het ziektevermogen (Vennema et al, 1995). Biotype II FCoV's maken maar 5 tot 30% uit van de uit het veld (d.w.z. buiten een laboratorium) geïsoleerde stoffen van FIPV. Door onzekerheden met betrekking tot gebruik van PCR voor het vaststellen van FIP, wordt het dringend aanbevolen dat deze procedure niet wordt gebruikt om te bepalen of een kat FIP heeft.

Behandeling van feline coronavirusinfecties

FECV besmetting

Een besmetting met FECV is gewoonlijk van voorbijgaande aard en klinisch licht of niet zichtbaar. Behandeling van dergelijke gevallen is niet vereist; als echter het overgeven en/of de diarree ernstig zijn, kan een ondersteunende behandeling gedurende meerdere dagen, waaronder niets eten of drinken en vervanging van vloeistof en/of elektrolyten, nodig zijn.

FIPV besmetting

Er is op dit moment geen doeltreffende manier om een kat van FIP te genezen als de ziekte klinisch waarneembaar wordt; het is op dit punt meer dan 95% dodelijk. Dat wil niet zeggen dat alle katten die besmet zijn met FIPV, hoe dan ook doodgaan, omdat herstel hoe dan ook gebruikelijker is dan overlijden. Katten die echter herstellen van een natuurlijke blootstelling, doen dat zonder ooit merkbaar ziek te zijn geweest. Daarom zijn katten die duidelijke symptomen van FIP vertonen die dieren die de strijd al verloren hebben.

Omdat FIPV een virusziekte is, hebben antibiotica totaal geen effect en worden niet aanbevolen. Bepaalde antivirale medicijnen zijn geprobeerd, en hoewel zij effectief blijken in een reageerbuisje, helpen zij de kat niet (Weiss, 1995). Ontstekingsremmers en immunosuppressiva (medicijnen die het immuunsysteem onderdrukken), zoals glucocorticoïden of cyclofosfamide, zijn uitgebreid toegepast bij de behandeling van katten met FIP (Pedersen, 1976a). Zij stellen echter het onvermijdelijke uit en er gaat geen geneeskrachtige werking van uit. Verschillende soorten immunostimulantia (stimuleren het immuunsysteem) zijn eveneens uitgeprobeerd, maar wederom zonder een aanzienlijk voordeel op de lange termijn.

Als een kat met FIP alleen lichte symptomen van de ziekte vertoont, lijkt het erop dat de ziekte zich niet verder ontwikkelt en als het dier op gewicht blijft en actief is, zal al het mogelijke moeten worden gedaan aan medische ondersteuning. Dit betekent rust, geen stressvolle activiteiten of procedures en een eiwitrijk dieet. Zelfs met een dergelijke ondersteuning zullen de meeste katten met klinische FIP uiteindelijk het onderspit delven; als een dier met FIP echter de kans krijgt genoeg immuniteit op te bouwen en de ziekte af te wenden, dan is het de kat die zijn gewicht behoudt en actief blijft. Daartegenover staat dat ondersteunende behandeling van katten met een ernstige, zich ontwikkelende en slopende ziekte moeilijk is te rechtvaardigen met het oog op de slechte prognose en het lijden dat het dier zal ondergaan.

De aard van immuniteit voor het feline coronavirus

Immuniteit voor FECV besmetting

FECV replicatie en klinische symptomen van ziekte worden gestopt met de komst van een specifieke humorale (antilichaam) immuniteit. Humorale immuniteit ontstaat wanneer FECV deeltjes naar de regionale lymfeklieren worden vervoerd, alwaar zij specifieke immuuncellen stimuleren. Hoewel er 7 tot 14 dagen nodig zijn voordat aantoonbare hoeveelheden antilichamen in het serum te verschijnen, worden biologisch substantiële hoeveelheden antilichamen waarschijnlijk al binnen een paar dagen verkregen.

Antilichamen zullen uiteindelijk worden afgescheiden in het slijmlaagje dat over het epitheelweefsel van de ingewanden ligt. Deze afscheiding bevorderende antilichamen bevinden zich in de IgA klasse en zullen zich hechten aan de oppervlakken van vrije virusdeeltjes, die uit de geïnfecteerde cellen zijn losgekomen. Deze verbinding zal het vermogen van het virus verstoren om zich te hechten aan de oppervlakken van nieuwe enterocyten. Deze blokkade zal het besmetten van nieuwe cellen stoppen. Het virus dat al in de enterocyten aanwezig is, wordt niet aangetast door de antilichamen, omdat antilichamen niet het cytoplasma kunnen binnendringen; de cellen op de toppen van de darmvlokken hebben echter een korte levensduur (ongeveer een dag) en zullen door ouderdom snel sterven en vervangen worden door nieuwe, niet-besmette cellen.

Hoewel met FECV besmette katten een krachtige en beschermende antilichaamreactie (humorale immuniteit) op gang brengen, lijkt het erop dat zij geen aanzienlijke hoeveelheid celgemedieerde immuniteit ontwikkelen. De voor de hand liggende reden is dat celgemedieerde immuniteit niet vereist is bij een besmetting met FECV. Bovendien vereist de ontwikkeling van celgemedieerde immuniteit gewoonlijk dat de ziekteverwekker zijn intrek neemt en zich voortplant in de cellen van het immuunsysteem, in het bijzonder de macrofagen. FECV plant zich schijnbaar niet voort in macrofagen, maar alleen in de epitheelcellen van de darmen.

Immuniteit voor FIPV besmetting

Het lot van recent met FIP besmette katten is afhankelijk van het vermogen van het immuunsysteem om snel een gerichte aanval op de besmette macrofagen en het daarin aanwezige virus, in te zetten. Omdat de virusdeeltjes zich voortplanten in macrofagen, zijn zij niet toegankelijk voor antilichamen. Daarom is celgemedieerde immuniteit, en niet antilichaam-gemedieerde immuniteit, de enige manier van het lichaam om de besmetting te bestrijden.

Celgemedieerde immuniteit heeft twee wapens, die allebei in stelling worden gebracht door anti-FIPV specifieke T-lymfocyten (afweercellen). Deze anti-FIPV specifieke T-cellen, die in zeer lage aantallen in eerder niet blootgestelde katten aanwezig zijn, onderzoeken constant het lichaam op tekenen van FIPV-besmette cellen. Wanneer een besmette cel wordt herkend, zal de FIPV-specifieke T-cel zich snel vermenigvuldigen om zijn aantallen uit te breiden teneinde het hoofd te kunnen bieden aan de snel stijgende virusvoortplanting. Het is het nageslacht van deze eerste FIPV-specifieke T-lymfocyten, dat op twee manieren de aanval op het virus zal openen. De eerste manier heeft te maken met het vermogen van de macrofagen om na de juiste prikkels van anti-FIPV specifieke T-lymfocyten hun metabolische functies te veranderen en het in hun cytoplasma aanwezige FIPV te vernietigen. De tweede manier is door middel van anti-FIPV specifieke T-cellen die met virus besmette macrofagen herkennen, vluchtig aanraken en tegelijkertijd doden en op die manier virusvoorplanting voorkomen. Hoewel specifieke FIPV immuniteit zich binnen enkele seconden na de eerste besmetting begint te ontwikkelen, neemt het enige dagen tot een week of langer in beslag voordat immuniteit voldoende intensiteit heeft bereikt om de besmetting een halt toe te roepen. Daarom staat de uitkomst van het gevecht tussen gastheerkat en het binnendringende virus al binnen de eerste paar dagen na de besmetting vast.

Besmetting en FIP immuniteit

Indirect bewijs suggereert dat de uitkomst van een FIPV besmetting wordt bepaald door de soort en de kracht van deze aanvankelijke immuunreactie, in het bijzonder de celgemedieerde immuniteit (Pedersen, 1987). Katten die snel op de infectie met sterke celgemedieerde immuniteit reageren, zullen het virus snel in hun lymfeklieren insluiten. Na insluiting is het virus ofwel uitgeschakeld of wordt het toegestaan in lage aantallen in een enkele macrofaag in de mesenterische lymfeklieren of serosale oppervlakken voort te bestaan. Voor sommige katten betekent het dat dit overblijfsel van de besmetting hun leven lang blijft voortduren, en voor een klein percentage, in hun latere leven kan dienen als een infectiehaard voor een terugkerende ziekte.

Rol van gastheer immuniteit bij acute en chronische FIP

Zonder celgemedieerde immuniteit, is de voortplanting van FIP grotendeels ongecontroleerd. De cyclus van besmetting en dood van macrofagen, het vrijkomen van virus en het opnemen van virus door meer macrofagen wordt steeds verder verspreid en intenser, met als gevolg een ziekte, die "acute FIP" wordt genoemd.

Het kenmerk van acute FIP is de aanwezigheid van talloze microscopische opeenstapelingen van besmette macrofagen rondom adertjes in de serosale en pleurale oppervlakken en het omentum. Zwaar besmette en zieke macrofagen in perivasculaire (rondom de bloedvaten) pyogranulomen verspreiden talloze ontstekingssubstanties, cytokinen genaamd, in het omringende weefsel. Het effect van deze stoffen is het veroorzaken van vreemde ontstekingen, die geconcentreerd zijn rondom adertjes. Deze aderontsteking leidt tot een wegstromen van plasma uit het bloed in de lichaamsholte. Het vocht is rijk aan stollingsfactoren die worden geactiveerd in een poging van het lichaam om de lekkage uit de aderen te stoppen. De gelige kleur van het vocht is een nevenproduct van de vernietiging van rode bloedcellen door fagocytische cellen (een fagocyt is een vreetcel) nadat zij zijn gelekt uit beschadigde adertjes (het roodkleurige hemoglobine wordt afgebroken in bilirubine, dat een gelige kleur heeft).

Tussen deze twee extremen van sterke en zwakke celgemedieerde immuniteit is er een tussenstadium van ziekte en gezondheid, afhankelijk van het gezichtspunt of "het glas half leeg is of half vol". Sommige katten, hoewel niet in staat een volledig effectieve celgemedieerde immuniteit tot stand te brengen, zijn wel in staat om voldoende te reageren en zo het virus gedeeltelijk in te perken, maar niet te vernietigen. Zulke katten ontwikkelen de chronische of droge vorm van FIP (Pedersen, 1987). De laesies bij chronische FIP zijn klassieke granulomen, bestaande uit een kern van macrofagen en een omringende mantel van lymfocyten en plasmacellen. Deze dichte mantel van lymfocyten en plasmacellen wordt niet aangetroffen om pyogranulomen, die kenmerkend zijn voor acute FIP. De aanwezigheid van lymfocyten en plasmacellen geeft aan dat er een bepaalde immuniteit van kracht is, omdat dit de effectorcellen van de immuniteit zijn (effectorcellen vormen het eindstadium van differentiatie en zijn cellen die feitelijk het waargenomen effect produceren, bijvoorbeeld plasmacellen zijn het eindstadium van differentiatie van de B-lymfocyten en produceren grote hoeveelheden antilichamen). In tegenstelling tot de met virus gevulde macrofagen, die worden aangetroffen in acute FIP, bevatten veel van de macrofagen in laesies bij chronische FIP ofwel geen virus of een kleine hoeveelheid virus. Dit gebrek aan virus in macrofagen bij katten met droge FIP suggereert dat immuniteit gedeeltelijk effectief is, d.w.z. dat het de virusvoortplanting kan vertragen, maar niet kan beëindigen.

Antilichaam-afhankelijke versterking van FIP

Er werd veel waarde gehecht aan het fenomeen antilichaam-afhankelijke versterking van ziekte bij een FIPV besmetting. Dit fenomeen werd voor het eerst 15 jaar geleden waargenomen (Pedersen en Boyle, 1980; Weiss en Scott, 1981) en het belang ervan is onlangs weer naar voren gekomen bij de introductie van levende FIPV vaccins (Addie et al, 1995, Fehr et al, 1995; Gerber, 1995; McArdle et al, 1995; Scott, 1995). Antilichaam-gemedieerde versterking kan worden geproduceerd door katten eerst te besmetten met een FECV-type FCoV (dit veroorzaakt antilichamen, maar geen cel-immuniteit) en daarna bloot te stellen aan een FIPV-type FCoV. In plaats van na 14 tot 21 dagen ziek te worden van FIPV en nog een aantal weken verder te leven, wat het normale verloop is van een FIPV besmetting bij katten die niet eerder aan het coronavirus zijn blootgesteld, worden katten die eerder immuun zijn gemaakt voor FECV, binnen 24 tot 72 uur ziek en sterven binnen een paar weken (Pedersen en Boyle, 1984). Dit fenomeen wordt vergeleken met het dengue shocksyndroom dat wordt waargenomen bij een knokkelkoortsvirusinfectie bij mensen (Weiss en Scott, 1981). In tegenstelling echter tot het dengue shocksyndroom is er geen bewijs dat versnelde FIP natuurlijk plaatsvindt onder katten (Addie et al, 1995; Fehr et al, 1995).

De mechanismen achter antilichaam-afhankelijke versterking bij FIP zijn goed gedocumenteerd. Antilichamen voor FECV hechten zich op dezelfde manier aan FIP, maar in plaats van dat er wordt voorkomen dat het virus zich hecht aan macrofagen, versterkt het antilichaam de opname van het virus door deze cellen (Stoddart en Scott, 1989). Hoewel de FCoV-specifieke receptoren in macrofagen kunnen ontbreken, die aanwezig zijn op cellen van het darmkanaal, kunnen immuuncomplexen (bindingen van een antistof met een antigeen) van FIP en antilichaam opgenomen worden door macrofagen door zogenaamde Fc receptoren (of complement-binding). Complement eiwit zal worden verbonden aan een totaal van virus- en antilichaamvormende immuuncomplexen; deze complexen worden dan door de Fc receptoren aan de macrofagen verbonden. Deze opname van FIPV bevattende immuuncomplexen door macrofagen heeft een desastreus effect, omdat dit het virus precies in de cel plaatst waar het zich wil voortplanten. Versterkte opname van het virus, bedekt met antilichaam complement door macrofagen, veroorzaakt zowel een snellere virusvermeerdering als een vermeerderde virusverspreiding naar andere plekken in het lichaam.

Virus-antilichaam-complement complexen spelen een andere rol bij versnelde FIP (Jacobse-Geels et al, 1980). De virus-antilichaam-complement complexen zijn geconcentreerd in dezelfde gebieden als de besmette macrofagen, d.w.z. rondom kleine bloedvaten in de weefsels, die het doelwit zijn. De ontstekingsreacties die plaatsvinden in antwoord op deze complexen, en op de cytokinen die vrijkomen uit besmette macrofagen, hebben een schadelijk effect op deze kleine bloedvaten, die enorme hoeveelheden vocht uit het bloed laten lekken. Het is dit vocht dat kenmerkend is voor natte FIP.

Het voorkomen van feline coronavirusinfecties

Beheer

Het wordt steeds duidelijker dat het voorkomen van FIP gericht moet zijn op het voorkomen van de onderliggende FECV besmettingen. FECV besmetting is een fecaal-orale ziekteverwekker. Zoals alle microbiële ziekteverwekkers die worden doorgegeven via de uitwerpselen, en via de mond besmettelijk zijn, is goede hygiëne belangrijk. Het beheer moet gericht zijn op het voorkomen van besmetting van de omgeving door uitwerpselen, en tegengaan dat vatbare dieren in aanraking komen met door uitwerpselen besmet(te) voedsel, water, kattengrit, vloeren etc. Goed beheer gaat uit van twee algemene doelen:

  1. het bouwen van voorzieningen die een goede hygiëne mogelijk maken voor het aantal en soorten (fokkers, niet-fokkers, kittens, volwassen katten) katten die gewenst zijn, en
  2. het handhaven van procedures met betrekking tot die voorzieningen, die fecaal-oraal contact minimaliseren, vooral tussen katten die virus uitscheiden en vatbare dieren.
Manieren om beide doelen te realiseren zijn beschreven (Pedersen en Wastlhuber, 1991).

FCoV besmetting kan uit catteries worden verdreven door goede beheerprocedures (Addie en Jarrett, 1995; Hickman et al, 1995). Uitroeiing wordt mogelijk gemaakt door twee kenmerken van de besmetting:

  1. de meeste besmette katten scheiden het virus gedurende langere periodes niet uit (Addie en Jarrett, 1995; Hickman et al, 1995), en
  2. kittens uit blootgestelde moederpoezen lijken de eerste 6 weken van hun leven of langer te worden beschermd door maternale immuniteit (de immuniteit die zij door hun moeder hebben gekregen) (Pedersen, 1995).
Als daarom de besmette dieren tijd wordt gegeven om de uitscheiding te stoppen en nieuwe besmettingen worden voorkomen, kan het virus worden verdreven.

Uitroeiing van FCoV besmetting lukt het best door alle zwangere moederpoezen in aparte ruimtes af te zonderen, vrij van ziekteverwekkers, en de kittens te spenen voor hun maternale immuniteit afneemt (Addie en Jarrett, 1995). Vroeg spenen, gewoonlijk voor de 6de levensweek, is alleen maar nodig in situaties waar de moederpoes zelf het virus zou kunnen uitscheiden. Als moederpoezen geen FCoV uitscheiden, kan spenen worden uitgesteld totdat het juiste tijdstip is bereikt. De aannemelijkheid dat een moederpoes virus uitscheidt, lijkt in verhouding tot haar FCoV antilichaamgehalte te zijn. Moederpoezen met gehalte beneden 1:25 zouden geen virus kunnen uitscheiden, terwijl moederpoezen met gehaltes van 1:100 of daarboven vaak besmettelijk zijn (Addie en Jarrett, 1995; Hickman et al, 1995; Pedersen et al, 1981). Moederpoezen die ouder zijn dan twee jaar zullen hun kittens minder snel besmetten dan jongere moederpoezen (Kass en Dent, 1995).

Na het spenen wordt de moederpoes weggehaald en de kittens worden afgezonderd van andere katten grootgebracht, totdat zij 12 tot 16 weken oud zijn. Dan worden zij getest op antilichamen voor FCoV. Als zij op deze leeftijd negatief zijn, heeft er geen blootstelling plaatsgevonden aan de moeder of aan onverhoopt contact met virus buiten de isolatiehuisvesting. Als zij positief worden bevonden voor antilichamen, heeft de isolatieprocedure gefaald.

Hoewel afzondering van moederpoezen en gecontroleerd spenen succesvol is gebleken bij het uitroeien van FECV besmetting uit groepen van katten, is het succes van het gehele programma afhankelijk van het vermogen om onverhoopt verspreiding van het virus tussen afgezonderde katten en katten die niet zijn afgezonderd, maar zich wel in dezelfde omgeving bevinden, te voorkomen (Hickman et al, 1995). Een dergelijke inperking vereist goede een isolatiehuisvesting en nauwkeurige beheertechnieken (Hickman et al, 1995); FCoV's worden makkelijk via kleding tussen groepen katten verspreid (Pedersen et al, 1981), zelfs in de meest nauwkeurige quarantaine omstandigheden (Hickman et al, 1995). Hoe groter het aantal dieren en hoe minder geavanceerd de cattery is, des te groter de kans dat uitroeiing zal falen. Het is in feite hoogst onwaarschijnlijk dat een dergelijke uitroeiing kan slagen of vol kan worden gehouden in een cattery die in een normaal pand is gehuisvest, vooral als er meer dan 8 tot 10 fokkatten aanwezig zijn. Daarbovenop moeten er extreme maatregelen worden genomen om het virus buiten de deur te houden, als dit eenmaal is uitgeroeid. Zulke maatregelen kunnen zelfs het einde betekenen van normale cattery activiteiten, zoals het introduceren van nieuwe dieren.

Uitroeiing van FCoV besmetting kan enorm vereenvoudigd worden door de ontwikkeling van specifieke tests om virusuitscheiders aan te tonen. Serologie, hoewel dit enig idee geeft welke katten wel virus kunnen uitscheiden en welke niet, is voor een dergelijk doel niet nauwkeurig genoeg. Daarom zijn tests om FCoV's in uitwerpselen op te sporen heel erg nodig. Op dit moment houdt de PCR techniek de grootste belofte in (Herrewegh et al, 1995). Deze procedure is nog steeds erg duur en vereist een niveau van verfijning, dat de meeste commerciële onderzoekslaboratoria te boven gaat.

Vaccineren

Het ideale vaccin voor FIP is omschreven als een levend, op FIP gebaseerd, vaccin, waardoor macrofagen zich voldoende verspreiden om celgemedieerde immuniteit op te wekken, zonder de ziekte, die het moet voorkomen, werkelijk te veroorzaken (Pedersen, 1989; Pedersen en Black, 1983). Op het feline enterisch coronavirus gebaseerd vaccins zullen katten niet beschermen tegen FIPV, omdat zij antilichaam uitlokken en geen celgemedieerde immuniteit. Dit soort immuniteit zal tot gevolg hebben dat het de ziekte eerder versterkt, dan dat beschermt tegen FIPV (Pedersen en Boyle, 1980). Een levend, op FIP gebaseerd vaccin, dat aan veel van deze criteria beantwoordt, is onlangs op de markt gebracht ter voorkoming van FIP (Primucell FIP™, Pfizer Animal Health, Inc., Exton, Pennsylvania). Voorlopige rapporten over dit vaccin zijn elders in deze uitgave aan te treffen (Fehr et al, 1995; Gerber, 1995; Hoskins et al, 1995a; McArdle et al, 1995; Postorino Reeves, 1995; Scott, 1995a).

Eerdere onderzoeken wijzen uit dat het Primucell FIP vaccin veilig is; er zijn echter experimentele verschillen opgetreden die de vraag oproepen of het vaccin antilichaam-afhankelijke versterking kan opwekken. Sommige groepen rapporteren versterking bij katten door dit product (McArdle et al, 1995, Scott, 1995b), terwijl andere een dergelijk probleem niet hebben waargenomen (Gerber, 1995; Hoskins, 1995a). Verschillen in de diverse experimentele bevindingen kunnen het best worden verklaard door de voor de blootstelling gebruikte FIPV-stam. Serotype II stammen zoals FIPV-79-1146 (en vermoedelijk de genetisch identieke FIPV-DF2 en FIPV-Norl5) veroorzaken geen versnelling van de ziekte wanneer zij worden gebruikt als blootstellingsstam bij gezonde, FCoV-antilichaam positieve katten (Pedersen et al, 1984). Daarom zijn deze stammen niet geschikt om een evaluatie te maken van antilichaam-afhankelijke versterking. Hoewel deze diverse onderzoeken van mening verschillen over het vermogen van dit vaccin om antilichaam-afhankelijke versterking van FIPV bestemming op te roepen, kan de kwestie van een door vaccin opgewekte ziekteversterking een onuitgemaakte zaak zijn. Antilichaam-afhankelijke versterking, hoewel het een bij onderzoeken waargenomen fenomeen is, schijnt niet in de natuur voor te komen (Addie et al, 1995; Fehr et al, 1995).

De werking van Primucell FIP is afdoende aangetoond bij katten die tenminste 16 weken oud zijn en op het tijdstip van inenting, negatief voor FCoV-antilichaam. Onder dergelijke omstandigheden gold er een doeltreffendheid van 50% (Hoskins et al, 1995a) tot 75% (Postorino Reeves, 1995) of meer (Gerber, 1995). Hoewel Primucell FIP doeltreffend is bij FCoV seronegatieve katten van 16 weken of ouder, is de werkzaamheid ervan niet aangetoond bij jongere katten of FCoV seropositieve katten. Gerber (Pfizer, niet gepubliceerde waarneming, 1994) verklaarde echter dat de werking tegen experimentele blootstelling aan FIPV veel minder is bij heel jonge kittens. De werking ervan lijkt ook buiten het laboratorium te verwaarlozen te zijn, wanneer het wordt toegepast op seropositieve dieren, die uit zeer FCoV endemische gezinnen komen (Fehr et al, 1995). De slechte werking bij seropositieve katten buiten het laboratorium kan komen door ofwel tussenkomst van verworven FCoV immuniteit of het feit dat de meeste katten in gezinnen waar meerdere katten aanwezig zijn, al op de leeftijd van 16 weken zijn blootgesteld en vaccineren het verloop van ziekte niet kan veranderen (Fehr et al, 1995).

De werking van het Primucell FIP vaccin tegen een grote verscheidenheid van veldstammen FIPV is niet vastgesteld. Het in virulentie verzwakte vaccinvirus is afgeleid van een Serotype II FIPV en daarom zou men verwachten dat het de maximale bescherming biedt tegen buiten het laboratorium uit hetzelfde serotype geïsoleerde stoffen. Bij de meeste onderzoeken die bescherming hebben aangetoond, was er sprake van blootstelling aan stammen van FIPV-DF2, FIPV-Norl5 of FPV-79-1146. Al deze stammen zijn zeer nauw verwant aan de stam van het vaccin, maar antigeen verschillend van de overheersende Serotype I stammen van FCoV, die buiten het laboratorium bestaan. Daarom is het mogelijk dat Primucell FIP minder doeltreffend is tegen Serotype I FcoV's. McArdle en collega's (1995) deden tests op gevaccineerde katten met een veldstam (dit is een stam die in de vrije natuur (en dus niet in een laboratorium) voorkomt) uit het Verenigd Koninkrijk en waren niet in staat bescherming aan te tonen. Helaas stelden zij niet het serotype van hun testvirus vast. Fehr en collega's (1995) en Postorino Reeves (1995) namen in veldstudies, respectievelijk in Zwitserland en de VS, enige bescherming waar, wat aangeeft dat het Primucell FIP vaccin kruisreactief is met een deel natuurlijke stammen.

Als vaccins zoals Primucell FIP een doeltreffendheid hebben van 50 tot 75% als zij aan FCoV seronegatieve katten van 16 weken en ouder worden gegeven, hoe moeten ze dan worden toegepast buiten het laboratorium? Ten eerste, totdat de kwesties met betrekking tot hun doeltreffendheid bij eerder blootgestelde katten opgelost kunnen worden, kan het gebruik van deze vaccins zeker niet worden aangeraden bij katten van 16 weken of ouder die uit een omgeving komen waar FCoV heerst. En wat te doen bij het gebruik van het vaccin bij groepen van katten die waarschijnlijk FCoV seronegatief zijn, zoals katten uit gezinnen met een, twee of drie dieren? Hoewel experimenteel bewijs suggereert dat deze groep de beste immuniteit door vaccinatie zal verkrijgen, komt FIP bij dergelijke huiskatten maar bij ongeveer 1 op de 5.000 katten voor. Vaccinatie onder dergelijke omstandigheden zou bij lange na niet zo doeltreffend zijn voor het totaal verminderen van FIP, als het immuniseren van katten uit een omgeving met een hoog risico zou zijn.

Het gebruik van Primucell FIP bij kittens van 6 weken oud, is beschreven door Panzero (1992) en deze gewoonte is steeds populairder geworden bij kattenfokkers. Naar verluidt was vaccinatie op jonge leeftijd succesvol bij het stoppen van een uitbraak van FIP in een Cornish Rex cattery. Uitbraken van FIP nemen echter uit zichzelf toe en af, dus is het onmogelijk te zeggen dat het vaccin verantwoordelijk was voor afname van sterfte door FIP, die erop volgde. Niettemin heeft dit type vaccinatie enige grond. Kittens verliezen omstreeks deze tijd hun maternale immuniteit en zouden gevoelig voor vaccinatie moeten zijn. Als het vaccinvirus anti-FCoV humorale immuniteit zou opwekken, zou een besmetting met endemische FECV's voorkomen kunnen worden. Als de mutatietheorie met betrekking tot de oorsprong van FIPV juist was, zou het voorkomen van een FECV besmetting effectief kunnen zijn bij het tegenhouden van mutante vormen van het virus. Hoskins en collega's (1995) hebben jonge, specifiek-pathogeenvrije (SPF, van Specific Pathogen Free) kittens ingeënt met het Primucell FIP vaccin en experimenteel immuniteitsonderzoek bij hen gedaan met FECV-79-1683. Hij kon een aanzienlijke vermindering van virusuitscheiding bij gevaccineerde ten opzichte van niet gevaccineerde kittens aantonen. Een negatieve aantekening moet worden gemaakt dat diverse stammen van coronavirussen genetisch met elkaar kunnen recombineren als het een tweevoudige besmetting betreft (Horzinek et al, 1995), en vaccinstammen van het infectieuze bronchitis coronavirus bij kippen hebben aangetoond dat zij recombineren met wild-type virussen en nieuwe, virulente stammen vormen (Kusters et al, 1990). Totdat de doeltreffendheid en veiligheid van vroege vaccinatie kan worden bewezen, kan het gebruik van Primucell FIP bij zeer jonge kittens in gezinnen waar FCoV heerst daarom niet zondermeer goedgekeurd worden.

Naslagwerken

  • Addie D and Jarrett O. Control of feline coronavirus infection in breeding catteries by serotesting, isolation and early weening. Feline Practice in press, 1955.
  • Addie D, Toth S, Murray GD and Jarrett O. The risk of typical and antibody enhanced feline infectious peritonitis among cats from feline coronavirus endemic households in the United Kingdom. Feline Practice in press, 1995.
  • Boyle JE, et al. Plaque assay, polypeptide composition and immunochemistry of feline infectious peritonitis virus and feline enteric coronavirus. Adv Exp Med Biol 173: 133-147, 1984.
  • Cotter SM, et al. Multiple cases of feline leukemia and feline infectious peritonitis in a household. JAVMA 162: 1054-1058, 1973.
  • Dea D, et al. Coronavirus-like particles in the feces of a cat with diarrhea. Can Vet J 232: 153-155, 1982.
  • Fehr D, Holznagel E, Bolla S, Hauser B, Herrewegh AAPM, Horzinek M and Lutz H. Evaluation of the safety and efficacy of a modified live FIPV vaccine under field conditions. Feline Practice in press, 1995.
  • Gerber J. Overview of the development of a modified live temperature sensitive FIP virus vaccine. Feline Practice in press, 1995.
  • Herrewegh A. Polymerase chain reaction (PCR) for diagnosis of naturally occurring feline coronavirus infections. Feline Practice in press, 1995.
  • Hickman A, Morris JG, Rogers QR and Pedersen NC. Elimination of feline coronavirus infection from a large experimental specific pathogen free cat breeding colony by serologic testing and isolation. Feline Practice in press, 1995.
  • Hohdatsu T, Okada S, et at. The prevalence of types I and II feline coronavirus infections in cats. J Vet Med Sci 54: 557-562, 1992.
  • Holmberg CA and Gribble DH. Feline infectious peritonitis: Diagnostic gross and microscopic lesions. Feline Practice 3(4): 11-14, 1973.
  • Horzinek M, Herrewegh A and de Groot R. Perspectives on feline coronavirus evoluation. Feline Practice in press, 1995.
  • Hoskins JD, Taylor HW and Lomax TL. Independent evaluation of a modified live FIPV vaccine under experimental conditions (Louisiana State University experience). Feline Practice in press, 1995a.
  • Hoskins JD, Henk WG, Storz J and Kearney MT. The potential use of a modified live FIPV vaccine to prevent experimental FECV infection. Feline Practice in press, 1995.
  • Jacobse-Geels HEL, et al. Isolation and characterization of feline C3 and evidence for the immune complex pathogenesis of feline infectious peritonitis. J Immunol 125: 1606-1610, 1980.
  • Kass P and Dent T. The epidemiology of FIP in catteries. Feline Practice in press, 1995.
  • Kusters JG, Jager EJ. et al. Sequence evidence for RNA recombination in field isolates of avian coronavirus infectious bronchitus virus. Vaccine 8: 605-608, 1990.
  • Martinez ML and Weiss RC. Detection of feline infectious peritonitis virus infection in cell cultures and peripheral blood mononuclear leukocytes of experimentally infected cats using a biotinylated cDNA probe. Vet Micro 34: 259-271, 1993.
  • McArdle F, Tennant B, Kelly DF, Gaskell CJ and Gaskell RM. Independent evaluation of a modified live FIPV vaccine under experimental conditions (Univesity of Liverpool experience). Feline Practice in press, 1995.
  • McKiernan AJ, et al. Isolation of feline coronaviruses from two cats with diverse disease manifestations. Feline Practice 11(3): 16-20, 1981.
  • Montali RJ and Strandberg JD. Extraperitoneal lesions in feline infectious peritonitis. Vet Path 9: 109-121, 1972.
  • Panzero R. An outbreak of feline infectious peritonitis in a colony of Cornish Rex cats. Feline Practice 20(4): 7-8, 1992.
  • Pedersen NC. Feline infectious peritonitis. Something old, something new. Feline Practice 6(3): 42-51, 1976a.
  • Pedersen NC. Serologic studies of naturally occurring feline infectious peritonitis. AJVR 37: 1449-1453, 1976b.
  • Pedersen NC. Feline infectious peritonitis test results: What do they mean? Feline Practice 7(3): 13-14, 1977.
  • Pedersen NC. Feline infectious peritonitis and feline enteric coronavirus infections. Part I: Feline enteric coronavirus. Feline Practice 13(4): 13-19, 1983.
  • Pedersen NC. Feline infectious peritonitis and feline enteric coronavirus infections. Part II: Feline infectious peritonitis. Feline Practice 13(5): 5-19, 1983.
  • Pedersen NC. Virologic and immunologic aspects of feline infectious peritonitis virsis infection. Adv Exp Biol Med 218:529-550, 1987.
  • Pedersen NC. Animal virus infections that defy vaccination: Equine infectious anemia, caprine arthritis-encephalitis, maedi-visna, and feline infectious peritonitis. Adv Vet Sci Comp Med 33:413-428, 1989.
  • Pedersen NC. The history and interpretation of feline coronavirus serology. Feline Practice in press, 1995.
  • Pedersen NC and Black JW. Attempted immunization of cats against feline infectious peritonitis using either avirulent live virus or sublethal amounts of virulent virus. AJVR 44:229-234, 1983.
  • Pedersen NC and Boyle JF. Immunologic phenomena in the effusive form of feline infectious peritonotis. AJVR 41:868-876, 1980.
  • Pedersen NC, Black JW, et al. Pathogenic differences between varius feline coronavirus isolates. In Coronaviruses; molecular biology and pathogenesis. Adv Exp Med Biol 173:365-380, 1984.
  • Pedersen NC, Boyle JF, et at. An enteric coronavirus infection of cats and its relationship to feline infectious peritonitis. AJVR 42:368-377, 1981.
  • Pedersen NC, Evermann JF, et al. Pathogenicity studies of feline coronavirus isolates 79-1146 and 79-1683. AJVR 45:2580-2585, 1984.
  • Pedersen NC and Floyd K. Experimental studies with three new strains of feline infectious peritonitis virus FIPV-UCD2, FIPV-UCD3, and FIPV-UCD4. Comp Cont Edu Pract Vet 7:1001-1011, 1985.
  • Pedersen NC, Ward J, et al. Antigenic relationship of the feline infectious peritonitis virus to coronaviruses of other species. Arch Virol 58:45-53, 1978.
  • Pedersen NC and Wastlhuber J. Cattery design and management. In: Pedersen NC, Feline Husbandry, American Veterinary Publications (Mosby), Goleta, CA, 1991, pp 393-446.
  • Postorino Reeves N. Vaccination against naturally occcuring FIP in a single large cat shelter. Feline Practice in press, 1995.
  • Richards JR. Problems in the interpretation of feline coronavirus serology (specificity vs. sensitivity). Feline Practice in press, 1995
  • Scott F. Independent evaluation of modified live FIPV vaccine under experimental conditions (Cornell University experience). Feline Practice in press. 1995a.
  • Scott F. The phenomenon of antibody mediated enhancement of experimentally induced FIP and its implication to vaccination in the field. Feline Practice in press, 1995b.
  • Stoddart CA and Scott FW. lntrinsic resistance of feline peritoneal macrophages to coronaviruses correlates with virulence. J Virol 63: 436-440, 1989.
  • Vennema H, Poland A, Floyd Hawkins K and Pedersen NC. A comparison of the genomes of FECVs and FIPVs: What they tell us about the relationships between feline coronaviruses and their evolution. Feline Practice in press, 1995.
  • Vennema H, et at. Early death after feline infectious peritonitis virus challenge due to recombinant vaccinia virus immunization, J Virol 64: 1407-1409, 1990.
  • Ward JM. Morphogenesis of a virus in cats with experimental feline infectious peritonitis. Virol. 41: 191-194, 1970.
  • Weiss R and Scott F. Antibody-mediated enhancement of disease in feline infectious peritonitis: Comparisons with dengue hemorrhagic fever. Comp Immunol Microbiol Infect Dis 4: 175-189, 1981.
  • Weiss R. The state of knowledge on the treatment of FIP with antiviral drugs or immune response modifiers. Feline Practice in press, 1995.
  • Wolf J. The impact of feline infectious peritonitis on catteries. Feline Practice in press, 1995.
  • Wolfe LG and Griesemer RA. Feline infectious peritonitis. Path Vet 3: 255-270, 1966.
  • Zook BC et al. Ulrastructural evidence for the viral etiology of feline infectious peritonitis. Path Vet 5: 91-95, 196.