Testparing van Nieuwe Maine Coon Foundation Lijnen? Picture

English Czech Danish Dutch French Italian Norwegian Portuguese Swedish

[Vertaald door Karin Sandbergen.]

Door Judith Schulz, Prairiebaby cattery, Canada.

(Let op: Dit artikel kan ook op andere rassen van toepassing zijn!)

Wanneer een fokker voor de eerste keer nieuwe foundation lijnen in zijn cattery introduceert, vraagt deze zich hoogstwaarschijnlijk het volgende af: Welke soort testparingen zijn het meest doorslaggevend? Wat te doen met inteelttesten? Wanneer zijn ze noodzakelijk en op welk punt hebben ze geen nut meer?

Hoewel de meeste mensen geloven dat incest ons duidelijkheid verschaft over recessieve genen, geven zulke tests ons in werkelijkheid alleen maar zeer vage en incomplete informatie. Meestal hebben nieuwe foundationkatten een genotype dat ons onbekend is. Een onbekend genotype betekent dat we niet weten of ze drager zijn of niet. Drager waarvan? We weten niet zeker waar we naar zoeken in een nieuwe foundationkat, toch? Met andere woorden, er is voor ons geen manier om te berekenen hoeveel kittens we nodig hebben om doorslaggevende resultaten voor wat dan ook te verkrijgen. Dit is het moment waarop inteelttesten om de hoek komen kijken. Omdat we de waarschijnlijkheid voor bepaalde recessieve genen niet kunnen voorspellen, zijn er misschien veel, heel veel inteeltnesten nodig om meer te weten te komen over een nieuwe lijn. Hiervoor kunnen wel 100 kittens of meer nodig zijn.

Wat te zeggen van de ethische kant van lange periodes van testparing? Als we gedurende verschillende generaties steeds een volle broer/zus dekking doen, zorgen we er automatisch voor dat de t- en b-cellen van de kittens tot op zekere hoogte gelijk aan elkaar worden. Omdat deze cellen dienen voor het herkennen van en afweer tegen ziekten, zou de algemene weerstand van het dier als gevolg daarvan verminderen. Sommige fokkers uit de beginperiode van ons ras hebben veel inteelttesten gedaan om erachter te komen of een kat drager was van een bepaalde kleur of om het type te verbeteren. (er moet dan wel gezegd worden dat het beter is iets over een verborgen gen uit te vinden, door een foundationkat met een Siamees te paren, in plaats van met een broer - maar dat terzijde.). Er kwamen vaak chronische "snuffelaars" met gevoelige darmen uit voort, die in een bijna steriele omgeving moesten leven om zo gezond mogelijk te blijven. Dit soort fokexperimenten, uitgevoerd gedurende verschillende generaties, brengt naar alle waarschijnlijkheid een groot aantal baby's voort, die een goede kans hebben te sterven aan jeugdkanker, slechte tanden en tandvlees hebben, allerlei soorten allergieŽn ontwikkelen en/of chronische dragers worden van infecties van de bovenste luchtwegen. En dat allemaal omdat ze een zwak immuunsysteem hebben. Wist u dat schizofrenie en prikkelbaar gedrag ook een neveneffect van inteeltdepressie kan zijn? Er wordt over het hoofd gezien dat de nieuwe eigenaren van onze "nevenproducten" voor alle medische zorg moeten gaan betalen, als de periode van testparing het immuunsysteem van de kittens heeft aangetast. Tijdens het uitvoeren van onze projecten - ik geef toe, meestentijds met de beste bedoelingen - hebben we de neiging te vergeten dat het niet uitsluitend om afkomst en genetica draait. Als we er van uit gaan dat huis en gezin de beste leefomgeving voor onze baby's zijn, is het dan eerlijk tegenover zowel de eigenaar als het kleine ding?

Er moet hier ook wel gezegd worden dat embryo's met zware afwijkingen vaak worden geresorbeerd en niet worden geboren. Ons enige bewijs zou een kleiner nest zijn. Geresorbeerde en doodgeboren kittens zijn heel normaal bij inteeltnesten. Waren de onzichtbaar geresorbeerde kittens degenen met de vergroeiing van het borstbeen? Zouden de twee doodgeboren kittens in het nest na 5 maanden een knikstaart hebben ontwikkeld - wie zal het zeggen? Hebben we niet juist de nieuwe foundation lijn geÔntroduceerd om nieuw bloed in het ras te brengen - om alleen maar te eindigen met hetzelfde patroon dat we achter ons probeerden te laten? Het moet ook gezegd worden dat binnen sommige foundationkattenpopulaties al sprake is van een zekere mate van inteelt. En er zou geen verdere inteelt meer met hen plaats moeten vinden.

Als de fokker wil weten of de foundationkat drager is van een bepaald, enkelvoudig, recessief gen, kan hij/zij die kat paren met een kat waarvan bekend is dat deze drager is. In dat geval zouden er ongeveer 16 kittens geboren moeten worden om ongeveer 99% zekerheid te hebben dat de foundationkat deze specifieke genetische afwijking niet draagt. Deze kittens hoeven NIET het gevolg van inteelt te zijn. We zouden dan het probleem met de aangetaste genenpoel tegenkomen. Nadat de testfase met de 16 kittens voorbij is, zullen we logischerwijs onze nieuwe lijnen met gewone showlijnen paren en het verse bloed in de algemene genenpoel inpassen. Omdat bij alle raszuivere soorten al tot op zekere hoogte sprake is van inteelt (lijnteelt), dragen veel van hen dan ook dezelfde genetische afwijkingen. Dit betekent dat het nageslacht van de "geteste lijn" weer teruggefokt wordt in de aangetaste genenpoel en het probleem waarschijnlijk na twee generaties de kop weer zal opsteken. Wat hebben we dan gewonnen? Gaan we misschien door en produceren we weer 16 kittens met een bekende drager in de volgende generatie - en de volgende generatie?

En dan de "7 kittens methode"? Sommige mensen zeggen dat testparingen aannemelijker zijn als ťťn partner het ongewenste gen homozygoot draagt. Deze kat zou dan maar 7 kittens hoeven voort te brengen om er 99% zeker van te zijn dat de partner dit specifieke gen niet met zich meedraagt. Een andere vraag: Als deze kat een homozygote drager is van het gen, zou deze de afwijking logischerwijs ook moeten vertonen (het probleem hebben), toch? Als nu de genetische afwijking ernstig is, zouden we dan een aantal nesten met een dergelijke kat willen voortbrengen? Alleen maar om erachter te komen of onze nieuwe foundationkat hetzelfde gen draagt? Als aan de andere kant de genetische afwijking niet ernstig is en we alleen maar achter een ongewenste schoonheidsfout willen komen, zoals medaillons of knikstaarten, zou de "7 kittens methode" zeker nuttig zijn geweest als (ja, als) er geen sprake was geweest van al die beeldige polygenen!

Een ander aspect is dat van nieuwe mutaties. Een testparing kan verschillende nieuwe genmutaties opleveren, die niet bij een andere paring naar voren waren gekomen, zelfs met dezelfde combinatie. Met andere woorden, kittens nummer 15 en 16 kunnen het slechte gen, waarnaar we op zoek zijn, vertonen - echter niet omdat de ouders het dragen, maar omdat er een plotselinge celmutatie heeft plaatsgevonden.

Ondanks dat nieuwe foundation lijnen uitgebreid zijn onderzocht en getest door een verantwoordelijke fokker van foundation lijnen, kunnen we niet garanderen dat deze lijnen vrij van genetische afwijkingen zijn. In feite is geen enkel levend wezen zonder genetische afwijkingen. Mensen die willen beginnen met een "zuivere foundation lijn", moeten zich realiseren dat er simpelweg geen zuivere foundation lijn bestaat. Alle katten en alle lijnen dragen ongewenste recessieve genen. Er zijn geen zuivere lijnen en er zijn geen perfecte katten. Als we inteelttesten bij onze huidige showlijnen zouden uitvoeren - gevolgd door selectie, hoeveel katten zouden er dan in onze fokprogramma's overblijven? Als we het antwoord weten waarom zouden we dan in vredesnaam overwegen een testparing uit te voeren bij onze foundationkatten? Het lijkt erop dat deze methode een stap terug inhoudt. We zouden bijna proberen het ongewenste te fokken in plaats van direct te fokken op GEWENSTE eigenschappen.

Nog een andere gedachte voor mensen die nog steeds denken dat zij hun bewezen showlijnen kennen en alleen maar bezorgd zijn over alle verschrikkelijke gebreken die een foundationkat kan dragen. Inteelttests met een foundationkat en een zuivere raskat, geven ons niet meer bewijs van de "zuiverheid" van onze nieuwe lijn dan dat het de "zuiverheid" van onze oude lijn zou bewijzen. Waarom? Omdat recessieve genen door beide fokdieren gedragen moeten worden, waardoor ze aantoonbaar zijn bij hun nageslacht. Met andere woorden: Als een probleem de kop opsteekt, heeft de nieuwe lijn niet iets dat ongewenst is, in ons fokprogramma gebracht dat niet al aanwezig was.

Vaak nemen fokkers een outcross kat op in hun cattery, die bestaat uit gemiddeld 5 tot 15 of meer katten met strak gefokte stambomen. Deze nieuwe outcross krijgt vervolgens de taak een balans aan te brengen in genetische afwijkingen, die zich gedurende vele jaren hebben geopenbaard. Normaal gesproken werkt het zo niet. Het neemt tijd in beslag om gebreken eruit te fokken. We draaien ons een rad voor ogen als we denken dat we zaken kunnen versnellen door middel van inteelttesten. Als we er toch toe besluiten, kunnen we er bijna zeker van zijn dat inteelttesten ons problemen ZULLEN opleveren, omdat onze foundationkatten ongewenste genen dragen, net als elke andere kat - er is dus geen noodzaak voor een testparing! Wat doen we als we de uitslag hebben? Alles laten steriliseren en castreren en opnieuw beginnen? En als zich dan een ander probleem voordoet in onze volgende nieuwe lijn (wat zeker zal gebeuren, al wordt het alleen maar veroorzaakt door de inteelttesten!), houden we dan ook op met die lijn? Of fokken we verder met het nageslacht en verbergen we problemen voor anderen, alleen maar om hen te kunnen geven wat ze van ons verwachten - "zuivere" foundation? Waarom inteelt plegen om erachter te komen wat iedereen domweg al verwacht?

Samenvatting: Gebrekkige recessieve genen kunnen maar tot op zekere hoogte worden uitgebannen, het maakt niet uit of er en hoeveel testparingen worden uitgevoerd. Dit geldt voor ALLE Maine Coons. Onze hoop is niet verwante nieuwe bloedlijnen te introduceren en deze met onze normale showlijnen te paren. Deze katten kunnen nieuwe problemen in onze oude lijnen veroorzaken, net zo goed als onze oude lijnen aanvullende problemen bij onze nieuwe foundationkatten kunnen veroorzaken. Problemen met genetische afwijkingen kunnen echter binnen een paar generaties verminderd of zelfs uitgebannen worden - zolang we ons verre houden van inteelt. Een recessief gen kan alleen een probleem worden als beide ouders het gen dragen. De kans dat twee katten hetzelfde gen dragen is veel kleiner als zij niet verwant zijn. Als zich een probleem voordoet, kunnen we er ter plekke wat aan doen. Een combinatie van TOS (Testen op genetische afwijkingen, Outcross en Selectie) is niet het antwoord op alle gezondheidsproblemen. Toch is outcross zeker de meest efficiŽnte manier immuun-gerelateerde problemen te verminderen. Outcross in combinatie met testen en selecteren is tot op zekere hoogte een effectief hulpmiddel om genetische afwijkingen te bestrijden. Als we vanaf het begin vermeden hadden te fokken met een te beperkte genenpoel dan hadden we vandaag de dag niet hoeven betalen voor dure HCM- en HD-testen - simpelweg omdat deze problemen niet op deze overweldigende schaal hadden bestaan. Veel van ons streven naar een goede gezondheid, maar we zullen nooit volledig in onze doelen en visies slagen. Zelfs met de beste bedoelingen blijft fokken een gok en veel werk. We blijven bidden en hopen het beste. En hoewel hoop teer is, doet het ook leven..........