Genetica Picture

English Chinese Spain French Italian Dutch Norwegian Swedish Portuguese Taiwanese

Genetische problemen steken de kop op in de rassen!

Dat heeft zeker ook te maken met een te kleine effectieve populatie! Tenzij het te maken heeft met het fokken zonder zich te bekommeren om de anatomische eigenschappen van het dier. Fokken op zeer lange lichamen kan rugproblemen veroorzaken, en fokken op zeer platte koppen kan gebitsproblemen opleveren, fokken op uiterst driehoekige, vierkante, ronde etc. koppen kan problemen met kaken, ogen, hersenen, of wat dan ook, als gevolg hebben. Een kat moet het gegund worden op de eerste plaats een KAT te zijn. Het is geen stuk klei dat we naar onze eigen schoonheidsidealen kunnen vormen. Een kat bestaat niet uit cirkels, driehoeken, vierkanten, of andere geometrische figuren, dat moeten we ons blijven voorhouden. Misschien moeten we alle katten zo fokken dat ze de vacht van een poedel hebben, zodat we de geometrische figuren en vreemde hoeken, die we zo mooi vinden, kunnen SCHEREN. Dan kan de bouw van de katten met rust worden gelaten. Zelfs als de rasstandaard voorschrijft dat een kop driehoekig of vierkant moet zijn, moeten wij als fokkers ons ervoor hoeden om tot het uiterste te gaan. Het moet de kop van een kat zijn - geen geometrisch figuur.

Behalve het fokken op extreme typen, zijn het te kleine effectieve populaties, die ervoor zorgen dat hoge frequenties van vele genetische afwijkingen in rassen voorkomen. Veel fokkers lijken hierdoor enigszins in de war. Zij kunnen denken, dat als bijvoorbeeld 10% van de katten in een ras is aangetast door PRA, wat een genfrequentie van ongeveer 32% van het recessieve PRA-gen betekent, en als we niet op deze frequentie testen en proberen deze te verlagen, de frequentie op den duur alleen maar hoger zal worden. Dit is natuurlijk niet juist. Was het dat wel dan zou de frequentie van verdunde (blauw, crème etc.) katten alleen maar hoger worden, tenzij we selecteren tegen het verdunningsgen. Als de effectieve populatie groot genoeg is, en er geen selectie voor of tegen PRA wordt gemaakt, zal de genfrequentie 32% blijven.

Aan de andere kant, als we op een zeer lichte manier tegen PRA selecteren, bijvoorbeeld katten die zelf PRA (homozygoten) hebben, niet meer dan één nest laten krijgen, zal de genfrequentie dalen. Langzaam met een lichte selectie, sneller met een forse selectie.

Maar wat gebeurt er als de effectieve populatie te klein is? Wat gebeurt er dan met de genfrequentie? Het zal hetzelfde effect hebben als een munt 10 keer opgooien. Je kans op "kop" is elke keer 50%. En als je de munt 1000 keer had opgegooid, zou je heel dicht bij 50% "kop" en 50% "munt" hebben gezeten. Maar nu gooi je haar maar 10 keer op. Dan zou het niet erg verrassend zijn als je bijvoorbeeld 70% "kop" kreeg en 30% "munt", of 30% "kop" en 70% "munt", of iets dergelijks.

In het analoge scenario van een kleine kattenpopulatie, betekent dit dat de genfrequentie van ongeveer 30%, in de volgende generatie is gestegen naar 35%, vanwege dit willekeurige effect. Of het kan naar 25% zijn gezakt, vanwege hetzelfde willekeurige effect hetgeen in het geval van PRA natuurlijk een stuk prettiger zou zijn. Maar laten we pessimistisch zijn en aannemen dat de frequentie naar 35% is gestegen. Dan is de VERWACHTE waarde van de genfrequentie voor de volgende generatie ook 35%. Maar het kan ook 29%, 34%, 38%, 42%, of wat dan ook, worden. Hoe kleiner de effectieve populatie, hoe groter het risico dat we te maken krijgen met een grote afwijking van de verwachte waarde van de genfrequentie. Dan zal deze frequentie, die we willekeurig hebben verkregen, de verwachte waarde voor de volgende generatie zijn. Dit fenomeen wordt genetische neiging genoemd. Als de invloed van deze genetische neiging sterker wordt dan de invloed van de selectie - natuurlijk of kunstmatig - kunnen de veranderingen van de genfrequentie heel goed het tegenovergestelde zijn van wat we voor ogen hadden. ONDANKS de selectie. Dan kunnen de ogen van onze Siamezen lichter worden, of de lynxtips van onze Noorse Boskatten kleiner, of wordt PKD nog gewoner bij onze Perzen. Dat zou natuurlijk allesbehalve leuk zijn!

Als we nu kijken naar waarom PKD een teveel voorkomend probleem bij de Pers is geworden, zou het nauwelijks veroorzaakt kunnen worden door een geheimzinnige selectie in het voordeel van cystenieren. Er moet een andere oorzaak zijn.

Het moet natuurlijk lang geleden met een mutatie in een kat zijn begonnen. Het was een dominant gen, dus ontwikkelde de kat cysten in zijn nieren. Laten we aannemen dat het een mannetje was, dat op 5-jarige leeftijd overleed aan PKD. Of misschien op 7- of 8-jarige leeftijd. Op wat voor manier dan ook, we hebben een zekere selectie tegen het gen. Als de populatie dan groot genoeg is, zal de frequentie dalen en uiteindelijk 0% worden. En zelfs als er geen enkele manier van selectie tegen het gen zou zijn, is er een grote kans dat het gen na een aantal generaties zou zijn verdwenen, omdat de frequentie toevallig iets groter of iets kleiner zou zijn. En omdat de frequentie aanvankelijk erg klein was (één gemuteerd gen in een grote populatie), is het aannemelijk dat de frequentie toevallig tot 0% verminderde en daarna was verdwenen.

Dus was de effectieve Perzenpopulatie schijnbaar niet groot genoeg. Genetische neiging was het gevolg, en helaas veroorzaakte dit toevallig een toename in de frequentie van het PKD-gen. Ondanks een aantal gevallen van selectie tegen het gen, was het resultaat dat de frequentie ongeveer 25-30% bereikte, voor meer fokkers zich bewust werden van het probleem en een forsere selectie werd ingevoerd.

Wat zegt ons dit allemaal? Dat, als we geen populaties hebben die groot genoeg zijn, hoge frequenties aan onplezierige genetische problemen de kop zullen opsteken. Als we pech hebben, kunnen we ook moeite hebben te proberen deze problemen door middel van selectie te verminderen.

Als we daarentegen ervoor zorgen dat we populaties in ons ras hebben, die groot genoeg zijn, zullen genetische afwijkingen niet, als een doorsnee probleem in de hele populatie, de kop opsteken. En als voordeel vermijden we inteeltdepressies en slechte immuunsystemen.

Fokken met te kleine effectieve populaties en tegelijkertijd projecten starten om genetische afwijkingen in een ras te bestrijden, is net zoiets als behandeld worden voor longkanker en blijven roken. Of het water opdweilen dat over de rand van het bad is gestroomd, maar vergeten de kraan dicht te doen, zodat het water nog steeds IN de badkuip stroomt.

Het ontwikkelen van een genenpoel, die groot genoeg is, is een soort voorzorgsmaatregel voor de rassen. Het lijkt niet verstandig om alleen maar de aandoeningen te behandelen, zonder zich druk te maken over de voorzorgsmaatregelen, die kunnen voorkomen dat de aandoeningen zich in de eerste plaats voordoen.

We moeten ook deze noodzaak voor redelijk grote effectieve populaties in gedachten houden, als we het ene na het andere gevlekte korthaar ras creëren en accepteren, evenals het ene grote, harige halflanghaar ras met een middelmatige kopsoort na het andere, etc. Tenzij het aantal fokkers dat bereid is zich bezig te houden met het fokken van gevlekte korthaar rassen in dezelfde mate toeneemt als de toename van het aantal rassen, zal het rekruteren van bijvoorbeeld Bengaal fokkers - zo maar een voorbeeld - ten koste gaan van de mogelijkheden voor fokkers van de Ocicat, Gevlekte Oosters Korthaar, Egyptische Mau etc., een hoeveelheid dieren in hun fokprogramma's te houden, die constant en voldoende is voor de fok. Kunnen deze rassen zich dit veroorloven? Of worden misschien al hun populaties te klein, zodat we uiteindelijk alle gevlekte korthaar rassen hebben vernietigd? Dit zijn voor ons belangrijke zaken om in de rasclubs over na te denken. Deze bedreigingen zijn echt, niet alleen maar "theorie", en we hebben de eerste effecten al waargenomen, hoewel nog niet zo erg als in hondenrassen. We hebben nu echter nog de mogelijkheid de grote problemen van de hondenfokkers te vermijden! We kunnen van hun fouten leren en op een gezondere manier gaan fokken, of we kunnen op de oude voet verder gaan en in de problemen raken.

Dit is daarom iets waarmee we moeten beginnen. Het moet niet worden vergeten, tussen alle specifieke projecten tegen specifieke afwijkingen in. Het gaat om de werkelijke basis van de gezondheid van katten en rassen.

Volgende...